ECLI:NL:RVS:2002:AE1818
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W. Konijnenbelt
- H. Beekhuis
- M. Oosting
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vergunning voor incidentele lozingen op oppervlaktewater
Het dagelijks bestuur van het waterschap Rivierenland verleende een vergunning voor incidentele lozingen van voorbezonken, met hemelwater verdund rioolwater via een rioolwateroverstort op een B-watergang die uitmondt in een A-watergang. Appellanten voerden aan dat onvoldoende onderzoek was gedaan naar de effecten op het stroomgebied en de gezondheidsrisico's voor vee die drinkwater uit de A-watergang gebruiken.
De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de vergunningverlening plaatsvond binnen de kaders van de Wet verontreiniging oppervlaktewateren en de Wet milieubeheer, waarbij voorschriften zijn verbonden die de kwaliteit van het oppervlaktewater beschermen. Het beheersplan IWGR 1994-1998 werd gehanteerd, dat streeft naar een reductie van de vuilemissie met 50%. De vergunningvoorschriften beperken het aantal overstorten en zorgen voor bezinking en afvoer van slib.
De Afdeling stelde vast dat de lozingen beperkt zijn in frequentie en afkomstig zijn van een kleine woonkern zonder bedrijfsmatige activiteiten. De ligging nabij een goed onderhouden A-watergang met voldoende doorstroming voorkomt structurele verslechtering van de waterkwaliteit. Ook is geen oorzakelijk verband aangetoond tussen de lozingen en gezondheidsproblemen bij vee. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard.
Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak bevestigt de beoordelingsvrijheid van het waterschap binnen de wettelijke kaders en de toepassing van milieutechnische inzichten bij vergunningverlening.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor incidentele lozingen op oppervlaktewater wordt ongegrond verklaard.