ECLI:NL:RVS:2002:AE1835

Raad van State

Datum uitspraak
24 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200102291/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 WoningwetArt. 8:86 Awb
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bestuursrechtelijke handhaving tegen illegale uitbouw zonder bouwvergunning

Appellante kocht in 1999 een pand waarop een illegale uitbouw was geplaatst zonder de vereiste bouwvergunning. Het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam Oud Zuid heeft handhavend opgetreden door afbraak van de uitbouw te gelasten. Appellante stelde dat sprake was van een bijzonder geval vanwege het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel, maar deze verweren werden door de rechtbank en de Raad van State verworpen.

De uitbouw was in strijd met het bestemmingsplan en de Woningwet, en legalisatie was niet aan de orde. Het bestuursorgaan was bevoegd om handhavend op te treden en hoefde niet af te zien van handhaving omdat er geen concreet zicht was op legalisatie. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde omdat de ambtenaar slechts aangaf geen problemen te verwachten, wat geen toezegging tot niet-handhaving is.

Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd afgewezen omdat de andere illegale bebouwing reeds bestond vóór het bestemmingsplan, terwijl hier nieuwbouw na het plan was geplaatst. Het handhavend optreden was niet onredelijk en voorkwam precedentvorming. De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de handhaving tegen de illegale uitbouw bevestigd.

Uitspraak

200102291/1.
Datum uitspraak: 24 april 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], gevestigd te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 10 april 2001 in het geding tussen:
appellante
en
het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam Oud Zuid.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 augustus 2000 heeft het dagelijks bestuur van stadsdeel Amsterdam Oud Zuid (hierna: het dagelijks bestuur) appellante, onder aanzegging van bestuursdwang, aangeschreven een uitbouw aan de achtergevel van het pand [locatie] (hierna: het pand) af te breken, de vrijkomende achtergevel op deugdelijke wijze in de vorige toestand terug te brengen en het achtererf in de vorige toestand terug te brengen.
Bij besluit van 11 januari 2001 heeft dagelijks bestuur het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Algemene Bezwaar- en Beroepscommissie van 21 december 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 10 april 2001, verzonden op die dag, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam (hierna: de president) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 9 mei 2001, bij de Raad van State ingekomen op 10 mei 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 6 juni 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 maart 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. L.D.H. Hamer, advocaat te Amsterdam, en het dagelijks bestuur, vertegenwoordigd door drs. D.J. van Vliet, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante heeft het pand op 2 juli 1999 gekocht van [derde]. In april 1996 heeft [derde] aan de achterzijde, na sloop van een bestaande overkapping, zonder bouwvergunning een uitbouw gebouwd die de gehele tuin beslaat. Hij heeft nadien alsnog een bouwvergunning aangevraagd, welke hem is geweigerd. Dat besluit heeft formele rechtskracht gekregen.
2.2. Vaststaat dat de uitbouw zonder de daarvoor vereiste bouwvergunning is opgericht, zodat het dagelijks bestuur wegens strijd met artikel 40 Woningwet Pro bevoegd is hier handhavend tegen op te treden.
2.3. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van optreden tegen een illegale situatie. De aanwezigheid van een bijzonder geval kan onder meer worden aangenomen, indien er concreet zicht is op legalisatie.
2.4. Ingevolge de “2e uitwerking Gerard Doubuurt”, inwerking getreden in 1995, van het bestemmingsplan “De Pijp”, rust op de betrokken grond de bestemming “Tuinen en erven 2 (T)”. De uitbouw is niet toegestaan binnen die bestemming. Legalisering van de uitbouw lag, naar ook niet in geschil is, niet in de rede.
2.5. Appellante betoogt dat de president heeft miskend dat burgemeester en wethouders ten onrechte niet hebben onderkend dat dit niettemin een bijzonder geval is, waarin zij niet in redelijkheid gebruik konden maken van hun bevoegdheid. Zij heeft daarbij met name gewezen op het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel.
2.5.1. Appellante legt aan haar beroep op het vertrouwensbeginsel ten grondslag de inlichtingen die een ambtenaar van het stadsdeel voor de aankoop van het pand telefonisch aan haar makelaar heeft verstrekt. De schriftelijke verklaring daarover van de makelaar van 2 maart 2001 biedt, anders dan appellante betoogt, reeds geen grondslag voor een gerechtvaardigd beroep op dit beginsel, nu blijkens die verklaring de betrokken ambtenaar niet meer heeft gezegd dan dat hij geen problemen verwachtte met handhavingsactiviteiten. Dat kan niet worden opgevat als een toezegging namens het bevoegde bestuursorgaan dat niet zal worden gehandhaafd.
2.5.2. Haar beroep op het gelijkheidsbeginsel doet appellante steunen op de aanwezigheid van illegale achtererfbebouwing op talrijke andere percelen in het betrokken bouwblok. Die bebouwing was echter reeds aanwezig vóór het van kracht worden van het vermelde bestemmingsplan, terwijl in dit geval de van oudsher aanwezige bebouwing daarná is vervangen door nieuwbouw. Van een ander geval waarin dat ook is geschied, is niet gebleken. Gelet daarop heeft de rechtbank verder terecht overwogen dat het handhavend optreden van burgemeester en wethouders uit het oogpunt van het voorkomen van precedentvorming niet onredelijk moet worden geacht.
2.5.3. De slotsom is dat de president terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat hier geen sprake was van een bijzonder geval, waarin burgemeester en wethouders niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten tot handhaving.
2.6. Er bestaat geen grond om te oordelen dat de president ten onrechte heeft aangenomen dat nader onderzoek redelijkerwijs niet kon bijdragen aan de beoordeling van de (hoofd)zaak. Appellante betoogt dan ook tevergeefs dat hij ten onrechte artikel 8:86 van Pro de Algemene wet bestuursrecht heeft toegepast.
2.7. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.J. Boukema, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.
w.g. Boukema w.g. Haan
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2002
27-422