ECLI:NL:RVS:2002:AE1843

Raad van State

Datum uitspraak
24 april 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105450/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Beekhuis
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 13.4 Wet milieubeheerArt. 3:19 AwbArt. 6:22 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging revisievergunning wegens schending bekendmaking Wet milieubeheer

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft op 24 april 2002 uitspraak gedaan in een zaak waarin de Vereniging Milieudefensie en een appellant beroep instelden tegen een revisievergunning verleend aan OSBO International B.V. door gedeputeerde staten van Noord-Brabant. De vergunning betrof een inrichting op een perceel te Deurne.

Appellanten stelden dat het ontwerpbesluit niet conform artikel 13.4 van de Wet milieubeheer was bekendgemaakt, omdat de vereiste kennisgeving niet was aangeplakt op het gemeentehuis. Een proces-verbaal van een kandidaat-gerechtsdeurwaarder bevestigde dat op de tweede dag van de terinzagelegging geen kennisgeving was aangeplakt. Verweerders voerden aan dat het aanplakken geen verplichting was volgens de Algemene wet bestuursrecht, maar dit werd door de Afdeling verworpen.

De Afdeling concludeerde dat het besluit in strijd met het vormvoorschrift was voorbereid en dat passering van deze schending niet mogelijk was omdat niet kon worden uitgesloten dat belanghebbenden hierdoor benadeeld waren. Het beroep werd gegrond verklaard, het besluit vernietigd en gedeputeerde staten werden veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan appellanten.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot verlening van de revisievergunning wordt vernietigd wegens schending van het bekendmakingsvereiste.

Uitspraak

200105450/1.
Datum uitspraak: 24 april 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de vereniging "Vereniging Milieudefensie", gevestigd te Amsterdam, en [appellant], wonend te [woonplaats],
en
gedeputeerde staten van Noord-Brabant,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij besluit van 14 september 2001, kenmerk 780934, hebben verweerders krachtens de Wet milieubeheer aan de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "OSBO International B.V." een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een inrichting op het perceel Ampèrestraat 3 te Deurne, kadastraal bekend gemeente Deurne, sectie E, nummers 2974 en 2965. Dit aangehechte besluit is op 24 september 2001 ter inzage gelegd.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 2 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 5 februari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door ing. M.H. Middelkamp, gemachtigde,
en verweerders, vertegenwoordigd door J.J.A.M. Bertens, ir. J.C. Slagboom en ing. R.C.M. Velden, allen ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door [gemachtigde], gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Appellanten hebben aangevoerd dat, in strijd met artikel 13.4, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer, van het ontwerp van het bestreden besluit geen mededeling is gedaan door aanplakking van een kennisgeving daarvan aan het gemeentehuis. Zij hebben een proces-verbaal overgelegd van J.P.A.M. Hanegraaf, toegevoegd kandidaat-gerechtsdeurwaarder, waaruit blijkt dat op de tweede dag van de terinzagelegging van het ontwerp geen kennisgeving was aangeplakt.
2.1.1. Ingevolge artikel 13.4, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer geschiedt de terinzagelegging als bedoeld in artikel 3:19, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht, van een aanvraag om vergunning of ontheffing die betrekking heeft op een inrichting of werk, in ieder geval op het gemeentehuis van de gemeente waarin de inrichting of het werk geheel of in hoofdzaak is of zal zijn gelegen, en wordt van het ontwerp gelijktijdig mededeling gedaan door aanplakking van een kennisgeving aan dat gemeentehuis, op zodanige wijze dat de inhoud van de kennisgeving voor het publiek duidelijk leesbaar is.
2.1.2. Gelet op het proces-verbaal, op de opmerking van verweerders, die naar aanleiding van de bedenkingen is gemaakt, dat het aanplakken geen verplichting is die volgt uit de Algemene wet bestuursrecht, en op het feit dat noch door middel van een registratielijst noch anderszins aannemelijk is geworden dat de kennisgeving later wel is aangeplakt, moet de Afdeling concluderen dat het bestreden besluit is voorbereid in strijd met artikel 13.4, aanhef en onder a, van de Wet milieubeheer. Omdat niet geheel kan worden uitgesloten dat belanghebbenden door schending van dit vormvoorschrift zijn benadeeld, is passering van deze schending met toepassing van artikel 6.22 van de Algemene wet bestuursrecht niet mogelijk. De opmerking van verweerders dat belanghebbenden ook op andere wijzen van het ontwerp van het bestreden besluit kennis hebben kunnen nemen, doet aan het bovenstaande niet af.
2.2. Het beroep is gegrond. Het bestreden besluit dient te worden vernietigd. De overige beroepsgronden behoeven derhalve geen bespreking meer.
2.3. Verweerders dienen op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld. De Afdeling ziet geen aanleiding om de kosten die zijn gemaakt voor het opmaken van voornoemd proces-verbaal te vergoeden.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van gedeputeerde staten van Noord-Brabant van 14 september 2001, kenmerk 780934;
III. veroordeelt gedeputeerde staten van Noord-Brabant in de door appellanten in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de provincie Noord-Brabant te worden betaald aan appellanten;
IV. gelast dat de provincie Noord-Brabant aan appellanten het door hen voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. Heijerman, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis w.g. Heijerman
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 april 2002
255-415.