ECLI:NL:RVS:2002:AE1846
Raad van State
- Hoger beroep
- E.M.H. Hirsch Ballin
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing urgentieverklaring op grond van Huisvestingsverordening gemeente Oegstgeest
Appellant heeft bij burgemeester en wethouders van Oegstgeest een urgentieverklaring aangevraagd op grond van artikel 12, tweede lid, van de Huisvestingsverordening. Dit verzoek werd op 21 augustus 2000 afgewezen. Na bezwaar werd het besluit herroepen en opnieuw afgewezen met nadere motivering. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. Appellant stelde dat hij door de weigering materiële en immateriële schade leed en maakte bezwaar tegen de uitleg van het begrip “huidige woonruimte” en de toepassing van de verordening.
De Raad van State overwoog dat appellant inmiddels een andere woonruimte heeft gevonden, maar dat dit het procesbelang niet wegneemt. De Afdeling bevestigde dat burgemeester en wethouders in redelijkheid tot hun besluit konden komen. Het begrip “huidige woonruimte” moet worden uitgelegd als zelfstandige woonruimte, wat appellant niet heeft. De verordening bestrijkt de situatie en het beroep op artikel 30 faalt Pro. Ook de toepassing van de hardheidsclausule op grond van artikel 27 werd Pro verworpen vanwege het ontbreken van bijzondere omstandigheden en het risico op ongewenste precedentwerking.
De Afdeling concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 24 april 2002 door de enkelvoudige kamer van de Raad van State.
Uitkomst: Het hoger beroep van appellant tegen de afwijzing van zijn urgentieverklaring wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.