ECLI:NL:RVS:2002:AE2165
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering ontheffing voor houden gekweekte primaten onder Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten
Appellant verzocht ontheffing op grond van artikel 5 van Pro de Wet bedreigde uitheemse dier- en plantensoorten (Wet budep) voor het houden van gekweekte primaten van soorten aangewezen in bijlage A en B van de basisverordening. De Staatssecretaris wees dit verzoek af vanwege het geldende houdverbod onder artikel 3 en Pro 3a van de Wet budep en de Regeling vrijstelling, die geen ontheffing voor deze soorten toestaat.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Raad oordeelt dat de aanwijzing van primaten in het Besluit bedreigde uitheemse diersoorten terecht is en dat het verbod het belang dient van het behoud van wilde populaties en het voorkomen van roof uit de natuur. Ook het argument dat het verbod onterecht zou zijn voor gekweekte dieren wordt verworpen.
Voorts is het houdverbod niet in strijd met het EG-Verdrag, omdat de beperking valt onder de uitzondering voor bescherming van dierenwelzijn en behoud van soorten. Het vertrouwensbeginsel wordt niet geschonden door eerdere verleende ontheffingen, aangezien deze geen rechtsgrondslag bieden om de huidige regelgeving niet toe te passen.
De Raad van State verklaart het hoger beroep ongegrond en bevestigt het besluit van de Staatssecretaris en de uitspraak van de rechtbank. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van ontheffing bevestigd.