ECLI:NL:RVS:2002:AE2288

Raad van State

Datum uitspraak
22 maart 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200201214/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • H. Troostwijk
  • M.G.J. Parkins-de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 100 Vreemdelingenwet 2000Art. 8:54 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vreemdelingenbewaring ondanks vertraagde rechtsbijstand in weekend

Appellant werd op 5 januari 2002 in vreemdelingenbewaring gesteld door de Staatssecretaris van Justitie. Hij stelde dat de regionale meldkamer van de politie te Alkmaar naliet de dienstdoende piketadvocaat tijdig te informeren, waardoor hij pas op 7 januari 2002 rechtsbijstand kreeg, terwijl hij dit al op 5 januari had verzocht.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Raad van State bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Afdeling overwoog dat zelfs indien artikel 100, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 was geschonden, dit slechts tot opheffing van de bewaring zou leiden indien de belangen van bewaring niet in redelijke verhouding staan tot het gebrek. Dit was niet het geval.

De belangen die met de bewaring werden gediend waren zwaarwegend, omdat appellant wegens meerdere strafbare feiten was veroordeeld en ongewenst was verklaard. Tevens was niet gebleken dat appellant door de vertraagde rechtsbijstand in zijn belangen was geschaad. Appellant had bovendien verklaard geen gebruik te willen maken van rechtsbijstand tijdens het horen.

Daarom werd het hoger beroep kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Een proceskostenveroordeling werd niet opgelegd.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt de vreemdelingenbewaring ondanks de vertraagde rechtsbijstand omdat de belangen van bewaring zwaarder wegen dan het gebrek.

Uitspraak

Raad
van State
200201214/1.
Datum uitspraak: 22 maart 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 25 januari 2002 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 januari 2002, verzonden op 20 februari 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 28 februari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 7 maart 2002 heeft de staatssecretaris een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 100, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt op verzoek van een vreemdeling hem een raadsman toegevoegd, zodra hem ingevolge deze wet zijn vrijheid is ontnomen.
2.2. Appellant betoogt in zijn enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het feit dat de regionale meldkamer van de politie te Alkmaar op zaterdag 5 januari 2002 niet aan de dienstdoende piketadvocaat heeft doorgegeven dat hij in bewaring was gesteld, niet voor verantwoording van de staatssecretaris kan komen.
Daartoe heeft appellant aangevoerd dat - samengevat weergegeven - gegarandeerd dient te zijn dat een advocaat zo snel mogelijk in kennis wordt gesteld wanneer om rechtsbijstand wordt verzocht. Hij heeft op zaterdag 5 januari 2002 aangegeven bijstand te willen van een advocaat en deze eerst op maandag 7 januari 2002 gekregen. Nu op grond van gemaakte afspraken de wijze van bekend maken van een vreemdelingrechtelijke bewaring aan de rechtshulpverlening in het weekeinde in dit geval binnen de kring van de overheid blijft, komen de gevolgen van fouten bij het uitvoeren van die afspraken voor rekening van de staatssecretaris, aldus appellant.
2.3. Deze grief kan niet tot het ermee beoogde doel leiden. Zo al zou moeten worden aangenomen dat in dit geval artikel 100, eerste lid, van de Vw 2000 is geschonden, zou dit alleen tot opheffing van de bewaring dienen te leiden, indien de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Van een dergelijke onevenwichtigheid is geen sprake.
Tussen partijen is niet in geschil dat voor de bewaring gronden aanwezig waren en dat de inbewaringstelling op zichzelf overigens niet in strijd met het recht was. De belangen, gediend met de bewaring, waren in dit geval zeer zwaarwegend, nu het gaat om een vreemdeling die wegens verscheidene strafbare feiten is veroordeeld en om die reden ongewenst is verklaard. Gesteld noch gebleken is dat appellant door de omstandigheid dat hij eerst op 7 januari 2002 rechtsbijstand heeft gekregen in zijn belangen is geschaad. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat appellant blijkens de processen-verbaal van verhoor en gehoor heeft verklaard dat hij geen gebruik wilde maken van rechtsbijstand tijdens het horen en dat het inlichten van een advocaat voldoende was.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en
mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden,
in tegenwoordigheid van mr. M.P. Glerum, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Glerum
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 maart 2002
273-345.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van de Raad van State,
voor deze,