ECLI:NL:RVS:2002:AE2417
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M.G.J. Parkins-de Vin
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van noodzakelijke werkzaamheden en bevoegdheid raad voor rechtsbijstand bij vergoeding strafzaak
Appellante, een advocaat toegevoegd in een strafzaak, had toestemming gekregen voor het besteden van 425 uren aan de zaak. Het bureau rechtsbijstandvoorziening stelde echter de vergoeding vast op basis van slechts 50 bestede uren, omdat het van oordeel was dat niet alle werkzaamheden noodzakelijk waren. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante tegen deze vergoeding ongegrond.
In hoger beroep bij de Raad van State werd overwogen dat het bureau en de raad voor rechtsbijstand weliswaar een centrale rol hebben bij het beheersen van de kosten, maar niet zonder meer het oordeel van de behandelende advocaat mogen vervangen over welke werkzaamheden noodzakelijk zijn. Het bureau had zonder voldoende motivering gedetailleerd bepaald welke delen van het dossier bestudeerd moesten worden, wat niet in overeenstemming is met de wetsgeschiedenis en het uitgangspunt van marginale toetsing.
Gezien het feit dat appellante telkens inzage had gegeven in haar bestede en begrote uren en het bureau telkens toestemming had verleend, was het besluit van de raad niet redelijk. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het eerdere besluit en de uitspraak van de rechtbank, en verklaarde het beroep gegrond. Tevens werd appellante het betaalde griffierecht vergoed.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit van de raad voor rechtsbijstand wordt vernietigd.