ECLI:NL:RVS:2002:AE2578

Raad van State

Datum uitspraak
15 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200101468/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • C. Sparreboom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 AWBZArt. 8:72 lid 4 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit College voor zorgverzekeringen over toelating thuiszorginstelling

Thuiszorg Buro Westergo B.V. verzocht op 3 januari 2000 om toelating als thuiszorginstelling op grond van artikel 8 van Pro de Algemene wet bijzondere ziektekosten (AWBZ). Het College voor zorgverzekeringen wees dit verzoek bij besluit van 26 juli 2000 af. Appellante maakte bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing en stelde beroep in tegen het niet tijdig beslissen op het bezwaarschrift.

Voordat het bestreden besluit werd genomen, besloot het College op 14 februari 2001 appellante alsnog toe te laten als thuiszorginstelling met ingang van 1 januari 2001. Desondanks verklaarde het College bij besluit van 7 juni 2001 het bezwaar ongegrond. Appellante voerde beroep aan bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat appellante ten tijde van de beslissing op bezwaar geen belang meer had bij een inhoudelijke beoordeling van het bezwaar, omdat zij al was toegelaten. Daarom werd het beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 juni 2001 vernietigd en het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.

Uitkomst: Het bezwaar tegen het besluit is niet-ontvankelijk verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Uitspraak

200101468/1.
Datum uitspraak:15 mei 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
“Thuiszorg Buro Westergo B.V.”, gevestigd te Harlingen,
appellante,
en
het College voor zorgverzekeringen,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2000 heeft het College voor zorgverzekeringen
(hierna: verweerder) het verzoek van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Thuiszorg Holding B.V.” van 3 januari 2000 om appellante toe te laten als thuiszorginstelling in de zin van artikel 8 van Pro de Algemene wet bijzondere ziektekosten (hierna: AWBZ) afgewezen.
Bij brief van 16 juni 2000 heeft appellante tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek van 3 januari 2000 bezwaar gemaakt.
Bij brief van 2 februari 2001, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2001 heeft appellante beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op het door haar ingediend bezwaarschrift. Deze brief is aangehecht.
Bij besluit van 14 februari 2001 heeft verweerder appellante met ingang van 1 januari 2001 toegelaten als thuiszorginstelling in de zin van artikel 8 van Pro de AWBZ.
Bij brief van 5 juni 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
Bij besluit van 7 juni 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft verweerder het door appellante tegen het besluit van 26 juli 2000 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij brief van 6 november 2001 heeft appellante de gronden voor beroep aangevuld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 11 december 2001 heeft verweerder een nader verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 april 2002, waar verweerder, vertegenwoordigd door mr. J. Hallie en mr. J. Verdurmen, is verschenen. Appellante heeft zich - met kennisgeving - niet ter zitting doen vertegenwoordigen.
2. Overwegingen
2.1. Bij besluit van 14 februari 2001, derhalve vóórdat het bestreden besluit was genomen, heeft verweerder appellante met ingang van 1 januari 2001 alsnog toegelaten als thuiszorginstelling in de zin van de AWBZ. Gesteld noch gebleken is dat appellante ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar nog belang had bij een inhoudelijke beoordeling van het door haar tegen het besluit van 26 juli 2000 ingediende bezwaarschrift. Verweerder heeft dit niet onderkend.
2.2. Het beroep is gegrond. De beslissing op bezwaar wordt vernietigd. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt het door appellante tegen het besluit van 26 juli 2000 gemaakte bezwaar alsnog niet-ontvankelijk verklaard.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Daarbij is in aanmerking genomen dat de zaak vanwege de onderlinge samenhang gelijktijdig met de zaak 200101482/1 ter zitting is behandeld en dat in die zaak reeds een proceskostenveroordeling ten gunste van appellante is uitgesproken.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het beroep gegrond;
II. vernietigt het besluit van het College voor zorgverzekeringen van 7 juni 2001, kenmerk V&VTOEL/21026030;
III. verklaart het door appellante tegen het besluit van 26 juli 2000 gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk;
IV. bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
V. gelast dat het College voor zorgverzekeringen het door appellante voor de behandeling van haar beroep betaalde griffierecht (€ 204,20) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C. Sparreboom, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Sparreboom
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 mei 2002
284-408.