ECLI:NL:RVS:2002:AE2794

Raad van State

Datum uitspraak
22 mei 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105659/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • P.M.M. de Leeuw-van Zanten
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRM
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging maatregel schrapping coffeeshop na verkoop softdrugs aan minderjarige

Appellante exploiteerde de coffeeshop 'Reefer' in Amsterdam en kreeg op 3 april 2001 van de burgemeester een maatregel opgelegd waarbij haar inrichting voor een week van de lijst van gedoogde softdrugsverkoop werd geschrapt, met intrekking van de exploitatievergunning. Deze maatregel volgde op de constatering dat er softdrugs waren verkocht aan een minderjarige.

Appellante maakte bezwaar tegen deze maatregel, dat door de burgemeester werd afgewezen. Vervolgens stelde zij beroep in bij de rechtbank, die het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde appellante hoger beroep bij de Raad van State.

De kern van het geschil betrof de vraag of er voldoende bewijs was voor de verkoop van softdrugs aan een minderjarige. Appellante stelde dat het bewijs onvoldoende was en dat de verklaring van de minderjarige getuige H. onjuist was. De Raad van State oordeelde dat het bewijs niet alleen rustte op de verklaring van H., maar ook op waarnemingen van verbalisanten die deze verklaring bevestigden. Gezien deze samenhang en het strenge bewijsvereiste onder artikel 6 EVRM Pro was het bewijs voldoende. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de maatregel van schrapping van de coffeeshop blijft gehandhaafd.

Uitspraak

200105659/1.
Datum uitspraak: 22 mei 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
appellante,
tegen de uitspraak van de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 12 oktober 2001 in het geding tussen:
appellante
en
de burgemeester van Amsterdam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 april 2001 heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) appellante de maatregel opgelegd van schrapping van de door haar geëxploiteerde coffeeshop “Reefer” van de lijst van inrichtingen waarin de verkoop van softdrugs wordt gedoogd gedurende één week onder gelijktijdige intrekking gedurende die periode van de voor de inrichting verleende exploitatievergunning.
Bij besluit van 30 juli 2001 heeft de burgemeester het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 12 oktober 2001, verzonden op dezelfde datum, heeft de president van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam, voor zover hier van belang, het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 15 november 2001, ingekomen bij de Raad van State op 16 november 2001, hoger beroep ingesteld.
Bij brief van 8 januari 2002 heeft de burgemeester een memorie ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 maart 2002, waar de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. H.C. van Esseveldt, ambtenaar der gemeente is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het geschil in hoger beroep betreft uitsluitend de vraag of voldoende bewijs voorhanden is dat het feit op grond waarvan de maatregel is opgelegd, te weten de verkoop van softdrugs aan een minderjarige in de door appellante gedreven coffeeshop Reefer zich heeft voorgedaan.
2.2. Appellante meent dat de vraag ontkennend moet worden beantwoord. In dit verband heeft zij erop gewezen dat de haar opgelegde maatregel een punitief karakter heeft en derhalve, mede gelet op artikel 6, tweede lid, van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM), aan de bewijsvoering strenge eisen dienen te worden gesteld. Aan die eisen is volgens appellante niet voldaan, nu uitsluitend op grond van de verklaring van de getuige H. er vanuit is gegaan dat er softdrugs zouden zijn verkocht, welke verklaring bovendien niet juist zou zijn.
2.3. Dit standpunt van appellante moet worden verworpen. Vooropgesteld zij dat de president terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat de minderjarigheid van de getuige H. voldoende is aangetoond. Het bewijs dat de betreffende verkoop heeft plaatsgevonden berust voorts – zoals ook de president heeft overwogen - niet alleen op de verklaring die H. tegenover de politie heeft afgelegd doch ook op de in het proces-verbaal van 12 maart 2001, nr. 2001067146-2, neergelegde eigen waarnemingen van verbalisanten, die de verklaring van de getuige H. bevestigen dan wel ondersteunen.
Dat alles in onderlinge samenhang en verband beschouwd levert, ook in het licht van artikel 6, tweede lid, van het EVRM voldoende bewijs dat in de coffeeshop van appellante softdrugs aan een minderjarige zijn verkocht.
Dat de getuige H. een onjuiste verklaring zou hebben afgelegd is door appellante op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-Van Bilderbeek w.g. De Leeuw-Van Zanten
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 22 mei 2002
97-405.