ECLI:NL:RVS:2002:AE2817
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- R.J. Hoekstra
- Rechtspraak.nl
Vergunningverlening ontgronding ondanks bezwaar eigenaar aangrenzend perceel
Verweerders, gedeputeerde staten van Drenthe, verleenden een vergunning voor uitbreiding van een ontgrondingsterrein voor zandwinning. Appellant, eigenaar van een aangrenzend perceel dat reeds was ontgrond, stelde dat de vergunning niet had mogen worden verleend voordat zijn perceel geheel was ontgrond. Hij verwees naar een rapport dat nog zandwinning op zijn perceel mogelijk achtte.
Verweerders stelden dat de uitbreiding noodzakelijk was voor de zandvoorziening en in overeenstemming was met het bestemmingsplan. Het perceel van appellant was bewust niet in de vergunning opgenomen omdat de zandwinning daar was beëindigd en de afwerking voltooid.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat een ontgrondingsvergunning geen verplichting tot ontgronding inhoudt en dat verdere ontgronding nabij het talud verstoringen zou veroorzaken. Ook was de constatering dat toekomstige inrichting afhankelijk blijft van definitieve plannen geen belemmering voor het indienen van een inrichtingsplan.
De Afdeling zag geen aanleiding om het besluit te vernietigen en verklaarde het beroep ongegrond. Er was geen strijd met geschreven of ongeschreven rechtsregels of algemene rechtsbeginselen vastgesteld.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunningverlening voor uitbreiding van het ontgrondingsterrein is ongegrond verklaard.