ECLI:NL:RVS:2002:AE3314
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- M. Oosting
- H.Ph.J.A.M. Hennekens
- Rechtspraak.nl
Vordering eigendom opstal en ondergrond voor sanering bodemverontreiniging
Verweerder, de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, heeft op grond van artikel 50 van Pro de Wet bodembescherming de eigendom van de opstal en ondergrond van appellanten gevorderd ten behoeve van de sanering van een ernstig geval van bodemverontreiniging nabij hun perceel.
Appellanten betoogden dat alleen de eigendom van de opstal had moeten worden gevorderd en dat zij bereid waren het gebruik van de ondergrond tijdens de sanering toe te staan, met het oog op herbouw na sanering. Verweerder stelde dat zonder recht van opstal de eigendom van de grond en opstal samen moest worden gevorderd om het beoogde rechtsgevolg te bereiken.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het vorderen van zowel de ondergrond als de opstal terecht was, mede omdat geen recht van opstal op de grond gevestigd was. Voorts was het vorderen noodzakelijk vanwege de slechte bouwkundige staat van het bouwwerk en het gevaar voor instorting tijdens de saneringswerkzaamheden. Ook werd geoordeeld dat gedeputeerde staten voldoende pogingen hadden gedaan tot minnelijke schikking.
Het beroep van appellanten werd ongegrond verklaard. De Afdeling wees erop dat de schadeloosstelling door de burgerlijke rechter dient te worden vastgesteld en dat zij hierover niet bevoegd is te oordelen.
Uitkomst: Het beroep tegen de vordering van eigendom van opstal en ondergrond is ongegrond verklaard.