Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2002:AE3654

Raad van State

Datum uitspraak
5 juni 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200102862/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B. van Wagtendonk
  • H. Troostwijk
  • M.G.J. Parkins-de Vin
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 40 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging intrekking bouwvergunning en toepassing bestuursdwang door burgemeester en wethouders Cranendonck

Bij besluit van 2 september 1999 hebben burgemeester en wethouders van Cranendonck de bouwvergunning uit 1930 ingetrokken en bouwwerkzaamheden stilgelegd op het perceel van appellant. Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, die door het college ongegrond werden verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze besluiten ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat burgemeester en wethouders in redelijkheid tot intrekking van de bouwvergunning konden besluiten. De stelling van appellant dat een deel van de woning destijds was gerealiseerd en bewoond, zodat overgangsrecht zou gelden, wordt buiten beschouwing gelaten omdat dit argument pas in hoger beroep is ingebracht. Ook zijn er geen andere gronden die tot een ander oordeel leiden.

Verder is geoordeeld dat burgemeester en wethouders bevoegd waren bestuursdwang toe te passen door de bouwwerkzaamheden stil te leggen, omdat appellant niet beschikte over de vereiste vergunning volgens artikel 40 van Pro de Woningwet. De door appellant aangevoerde bezwaren tegen bestuursdwang zijn ongegrond.

Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de bouwvergunning en bestuursdwang worden bevestigd.

Uitspraak

200102862/1.
Datum uitspraak: 5 juni 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 23 april 2001 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Cranendonck.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 september 1999 hebben burgemeester en wethouders van Cranendonck (hierna: burgemeester en wethouders) de vergunning, die op
14 januari 1930 is verleend aan [vergunninghouder] voor het bouwen van een woonhuis op het perceel [locatie], ingetrokken.
Bij afzonderlijk besluit van 2 september 1999 hebben burgemeester en wethouders de op voormeld perceel geconstateerde bouwwerkzaamheden stilgelegd.
De door appellant tegen die besluiten gemaakte bezwaren hebben burgemeester en wethouders bij afzonderlijke besluiten van 12 januari 2000 ongegrond verklaard. Deze besluiten en het advies van Commissie van advies voor de bezwaar- en beroepschriften van 4 november 1999, waarnaar in de besluiten wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 23 april 2001, verzonden op 26 april 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) de daartegen ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij faxbericht, bij de Raad van State ingekomen op 1 juni 2001, hoger beroep ingesteld. Dit bericht is aangehecht.
Bij brief van 23 oktober 2001 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 april 2002, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M. Brüll, advocaat te Waalre, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door C.A.M. Evers, ambtenaar bij de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat niet staande kan worden gehouden dat burgemeester en wethouders na afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid hebben kunnen besluiten de onderhavige bouwvergunning in te trekken.
2.2. De stelling van appellant dat destijds een klein gedeelte van de woning overeenkomstig de bouwvergunning door [vergunninghouder] is gerealiseerd en vervolgens door deze enige tijd is bewoond, zodat ter zake overgangsrecht van toepassing is, moet, nu appellant deze stelling eerst in hoger beroep naar voren heeft gebracht, buiten beschouwing blijven.
Ook overigens heeft appellant in hoger beroep met betrekking tot de intrekking van de bouwvergunning geen gronden aangevoerd die tot een ander oordeel dan dat van de rechtbank leiden.
2.3. Voorts is de rechtbank terecht tot het oordeel gekomen dat, nu appellant als gevolg van de intrekking van de bouwvergunning niet over de voor het verrichten van bouwwerkzaamheden vereiste vergunning als bedoeld in artikel 40 van Pro de Woningwet beschikte, burgemeester en wethouders bevoegd waren tot toepassing van bestuursdwang, bestaande in het stilleggen van de desbetreffende bouwwerkzaamheden.
Hetgeen appellant in hoger beroep ter zake van de toepassing van bestuursdwang naar voren heeft gebracht geeft evenmin aanleiding voor een ander oordeel.
2.4. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Leden, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Boot
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 5 juni 2002
202.