ECLI:NL:RVS:2002:AE3963
Raad van State
- Hoger beroep
- W. van den Brink
- J.H. Roelfsema
- Rechtspraak.nl
Gegrondverklaring hoger beroep tegen weigering wijzigingsbevoegdheid bestemmingsplan na bedrijfsbeëindiging
Appellanten verzochten burgemeester en wethouders van Oostburg om toepassing van een wijzigingsbevoegdheid in het bestemmingsplan 'Landelijk gebied', waarmee de bestemming van een perceel na bedrijfsbeëindiging gewijzigd kan worden van agrarisch naar woondoeleinden. Dit verzoek werd afgewezen, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, waarbij zij onder meer oordeelde dat geen sprake was van bedrijfsbeëindiging en dat de woning niet meer bestond.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State stelt dat de rechtbank ten onrechte uit het verloop van tijd heeft geconcludeerd dat geen bedrijfsbeëindiging meer was. Ook wordt het oordeel dat de woning niet meer bestond verworpen, aangezien een pand zijn hoedanigheid als dienstwoning behoudt ondanks het staken van bewoning of onbewoonbaarverklaring, zoals eerder in een uitspraak uit 1982 is vastgesteld.
Verder is gebleken dat appellant de dienstwoning wil vervangen door een nieuwe burgerwoning, waardoor het aantal woningen binnen het bebouwingsvlak niet toeneemt en dit de wijzigingsbevoegdheid niet belemmert. De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de bestreden besluiten en verklaart het beroep bij de rechtbank alsnog gegrond. Er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard, het besluit en de uitspraak worden vernietigd en het beroep bij de rechtbank alsnog gegrond verklaard.