ECLI:NL:RVS:2002:AE4640
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- J.M. Boll
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid en ongegrondheid beroep tegen vergunning lozing perswater op grond van Wet verontreiniging oppervlaktewateren
Verweerders hebben aan vergunninghoudster een vergunning verleend voor het tijdelijk lozen van perswater, percolatiewater en hemelwater afkomstig van een baggerspeciedepot. Appellante heeft hiertegen beroep ingesteld bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het betrekking heeft op de beoordeling van de aanvraag aan de Vogel- en Habitatrichtlijn, omdat appellante geen bedenkingen tegen het ontwerpbesluit heeft ingebracht en geen uitzonderingen op de ontvankelijkheid van toepassing zijn.
Voor het overige is het beroep ongegrond. De Afdeling stelt dat de vergunning met de daaraan verbonden voorschriften voldoende bescherming biedt tegen verontreiniging van het oppervlaktewater. Andere aangevoerde bezwaren, zoals mogelijke schade door onkruid en strijd met het bestemmingsplan, zijn niet relevant voor de bescherming van oppervlaktewater en worden daarom niet gehonoreerd.
Een verzoek om nadeelcompensatie wordt afgewezen wegens niet tijdig ingebracht en het ontbreken van een gegrond beroep. Er is geen aanleiding voor proceskostenveroordeling. Het beroep wordt voor het overige ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het beroep is deels niet-ontvankelijk en voor het overige ongegrond verklaard, waardoor de vergunning blijft gehandhaafd.