ECLI:NL:RVS:2002:AE4849

Raad van State

Datum uitspraak
3 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200106353/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 Wet IHSArt. 55 Huursubsidiewet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging uitspraak inzake wijziging en terugvordering huursubsidie op grond van de Wet IHS

Appellant maakte bezwaar tegen het besluit van de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer om de toegekende huursubsidie over het tijdvak 1995/1996 te wijzigen en een bedrag terug te vorderen. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en bevestigde het besluit van de staatssecretaris.

Appellant stelde dat de wijziging onterecht was vanwege het niet meer terugkomen van artikel 10, vijfde lid, van de Wet IHS in de Huursubsidiewet en voerde bezwaren aan tegen de gehanteerde vermenigvuldigingsfactor. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de bepalingen van de Wet IHS blijven gelden voor subsidietijdvakken die onder die wet zijn aangevangen en dat de gebruikte vermenigvuldigingsfactor overeenkomstig de wet correct was toegepast.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep ongegrond, bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door een enkelvoudige kamer van de Afdeling bestuursrechtspraak op 3 juli 2002.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitspraak

200106353/1.
Datum uitspraak: 3 juli 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Arnhem van 19 november 2001 in het geding tussen:
appellant
en
de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 april 1998 heeft de Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (hierna: de staatssecretaris) de aan appellant toegekende huursubsidie op grond van de Wet individuele huursubsidie (hierna: Wet IHS) voor het tijdvak 1995/1996 van ƒ 3564,00/€ 1617,27 gewijzigd in ƒ 1344,00/€ 609,88 en bepaald dat ƒ 2220,00/€ 1007,39 moet worden terugbetaald.
Bij besluit van 4 maart 1999 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 19 november 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Arnhem (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 20 december 2001, bij de Raad van State ingekomen op 24 december 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 7 maart 2002 heeft de staatssecretaris een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 juni 2002, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. M. Piras, gemachtigde, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen. Anders dan hetgeen appellant heeft betoogd, leidt het feit dat artikel 10, vijfde lid, van de Wet IHS in de Huursubsidiewet (inwerkingtreding 1 juli 1997) niet meer is teruggekomen, niet tot een ander oordeel, nu in artikel 55 Huursubsidiewet Pro immers wordt bepaald dat op subsidietijdvakken die zijn aangevangen onder de werking van de Wet IHS de daarop vóór de inwerkingtreding van de Huursubsidiewet geldende bepalingen van toepassing blijven. Ook voor hetgeen appellant stelt met betrekking tot de te hanteren vermenigvuldigingsfactor, is, zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geen steun in de wet te vinden. De in artikel 10, eerste lid, Wet IHS genoemde factoren zijn slechts van toepassing indien voor de toepassing van de huursubsidietabellen het inkomen van het aan 1 juli voorafgaande kalenderjaar in aanmerking wordt genomen en niet, zoals in dit geval, het inkomen van het op 1 juli lopende kalenderjaar. Bij het gebruik maken van zijn bevoegdheid op grond van artikel 10, vijfde lid, van de Wet IHS, moest de minister, zoals in dit artikel is bepaald de bijdrage nader vaststellen met inachtneming van het totale inkomen van het op 1 juli lopende kalenderjaar.
2.2. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.M. Schothorst, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Schothorst
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 juli 2002
229-420.