ECLI:NL:RVS:2002:AE5376

Raad van State

Datum uitspraak
17 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105613/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
  • R. Cleton
  • A. Kosto
  • J.J.C. Voorhoeve
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OntgrondingenwetWet voorkeursrecht gemeenten
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering vergunning ontgronding Beuningse Plas wegens ontbreken planologische medewerking

Appellanten hebben beroep ingesteld tegen het besluit van gedeputeerde staten van Gelderland om een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet voor ontgronding bij de Beuningse Plas te weigeren. De aangevraagde ontgronding was in overeenstemming met het streekplan en het provinciaal ontgrondingenbeleid, en spoedige vergunningverlening werd erkend als van nationaal belang.

Desondanks werd de vergunning geweigerd omdat de beoogde ontgronding in strijd was met het geldende bestemmingsplan en de gemeente Beuningen geen planologische medewerking verleende. Appellanten verwezen naar een convenant tussen provincie en gemeente en eerdere aanvragen van de gemeente, maar konden niet aantonen dat de gemeente op het moment van het besluit bereid was tot planologische medewerking.

De Raad van State oordeelde dat artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet een vergunning verbiedt indien de ontgronding in strijd is met het bestemmingsplan en de gemeente geen planologische medewerking heeft toegezegd. Omdat niet was voldaan aan de voorwaarden van het convenant en de gemeente expliciet aangaf niet bereid te zijn medewerking te verlenen, was de weigering terecht. Het beroep werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering van de vergunning voor ontgronding is ongegrond verklaard wegens het ontbreken van planologische medewerking.

Uitspraak

200105613/1.
Datum uitspraak: 17 juli 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellante], gevestigd te [plaats], en anderen
en
gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 september 2001, kenmerk RE1999.113601, hebben verweerders geweigerd appellanten een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet te verlenen voor op de locatie Beuningse Plas aan de westzijde van de gemeente Beuningen. Dit besluit is aangehecht.
Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 12 november 2001, bij de Raad van State ingekomen op 13 november 2001, beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 14 januari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 9 april 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 mei 2002, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. M.R.J. Baneke en mr. D.R. de Poorter, advocaten te Nijmegen, en verweerders, vertegenwoordigd door mr. J.W. van der Horst, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
Voorts zijn daar gehoord burgemeester en wethouders van Beuningen, vertegenwoordigd door H. Peereboom, wethouder, en burgemeester en wethouders van Druten, vertegenwoordigd door J.A.M. van Kerkhof, ambtenaar van de gemeente.
2. Overwegingen
2.1. Niet in geding is dat de aangevraagde ontgronding in overeenstemming is met het streekplan en het ontgrondingenbeleid van de provincie Gelderland. Voorts staat vast dat een spoedige vergunningverlening van belang is in verband met het nationale belang van een ongestoorde bouwgrondstoffenvoorziening. Verweerders hebben niettemin geweigerd de aangevraagde vergunning krachtens de Ontgrondingenwet te verlenen. Zij hebben hieraan de overweging ten grondslag gelegd dat de beoogde ontgronding op de aangevraagde locatie in strijd is met het ter plaatse geldende bestemmingsplan en dat de gemeente Beuningen weigert planologische medewerking te verlenen. Vergunningverlening achten zij in strijd met artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet.
2.2. Appellanten betwisten dat de gemeente Beuningen niet bereid is planologische medewerking te verlenen aan het zandwinproject. Zij hebben dienaangaande gewezen op het convenant dat op 14 mei 2001 is gesloten tussen de provincie Gelderland en de gemeente Beuningen. Appellanten hebben verder gewezen op de omstandigheid dat de gemeente Beuningen op 4 augustus 1989 zelf een aanvraag heeft ingediend om een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet voor zandwinning in de Beuningse Plas en op het feit dat de gemeente een voorkeursrecht ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten heeft gevestigd, met het oog op realisering van de Beuningse Plas. Uit deze omstandigheden blijkt eveneens dat de gemeente Beuningen bereid is planologische medewerking te verlenen, aldus appellanten.
2.3. Artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet, voorzover hier van belang, bepaalt dat een vergunning niet wordt verleend indien de beoogde ontgronding in strijd zou zijn met een bestemmingsplan, tenzij de raad van de betrokken gemeente heeft meegedeeld planologische medewerking te zullen verlenen.
2.4. De aangevraagde ontgronding is in strijd met de voor de betrokken gronden geldende bestemming. Verweerders en de gemeenteraad van Beuningen hebben op 14 mei 2001 een convenant gesloten. Het convenant heeft tot doel om tot planologische medewerking van de gemeente te komen. Aan het convenant is een aantal voorwaarden verbonden waaraan voldaan moet zijn, alvorens de gemeente Beuningen bereid is medewerking te verlenen aan planologische inpassing van de winlocaties. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit was nog niet voldaan aan deze voorwaarden.
Appellanten hebben de Afdeling er voorts niet van kunnen overtuigen dat verweerders er ten tijde van het nemen van het bestreden besluit vanuit konden gaan dat binnen afzienbare termijn voldaan zou zijn aan alle voorwaarden van het convenant waardoor de gemeente Beuningen planologische medewerking zal verlenen. Hierbij is in aanmerking genomen dat de gemeenteraad van Beuningen ter zitting heeft verklaard nog steeds niet bereid te zijn planologische medewerking te verlenen. De omstandigheid dat de gemeente Beuningen op 4 augustus 1989 zelf een aanvraag heeft ingediend om een vergunning krachtens de Ontgrondingenwet voor zandwinning in de Beuningse Plas en het feit dat de gemeente een voorkeursrecht ingevolge de Wet voorkeursrecht gemeenten heeft gevestigd kunnen niet tot een ander oordeel leiden.
2.5. Het vorenoverwogene in aanmerking nemende, moet worden geconcludeerd dat vergunningverlening in strijd zou zijn met artikel 10, achtste lid, van de Ontgrondingenwet. Verweerders hebben de door appellanten aangevraagde vergunning derhalve terecht geweigerd. Het beroep is ongegrond.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Voorzitter, en mr. A. Kosto en dr. J.J.C. Voorhoeve, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R.J.J. Aerts, ambtenaar van Staat.
w.g. Cleton w.g. Aerts
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 17 juli 2002
303.