ECLI:NL:RVS:2002:AE5757

Raad van State

Datum uitspraak
24 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105310/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • H. Beekhuis
  • M.A.C. Prins
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid van beroep inzake vergunning voor metaalverwerkend bedrijf

In deze zaak heeft de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Bercon Metaalrecycling B.V." beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de gedeputeerde staten van Gelderland op haar aanvraag voor een vergunning op grond van de Afvalstoffenwet. De aanvraag was op 6 augustus 1990 ingediend, maar de gedeputeerde staten hebben niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zeven maanden beslist. De appellante heeft pas op 25 oktober 2001 beroep ingesteld, meer dan tien jaar na de indiening van de aanvraag. De Raad van State heeft vastgesteld dat de appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij op enige wijze op het uitblijven van een besluit heeft vertrouwd, en dat zij in de jaren voorafgaand aan haar beroep niet actief heeft aangedrongen op een beslissing. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft geoordeeld dat het beroep onredelijk laat is ingediend en daarom niet-ontvankelijk verklaard. De uitspraak benadrukt het belang van tijdige actie door aanvragers in bestuursrechtelijke procedures en de gevolgen van het niet tijdig indienen van beroep.

Uitspraak

200105310/1.
Datum uitspraak: 24 juli 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Bercon Metaalrecycling B.V.", gevestigd te Beesd,
appellante,
en
gedeputeerde staten van Gelderland,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij brief van 25 oktober 2001, bij de Raad van State ingekomen op 26 oktober 2001, heeft appellante beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar op 6 augustus 1990 ingediende aanvraag om krachtens de Afvalstoffenwet een vergunning te verlenen voor een metaalverwerkend bedrijf aan de Wethouder van Bremenweg 20 te Beesd. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 24 januari 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 15 februari 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. Th.A.G. Vermeulen, advocaat te Rosmalen, en [gemachtigde], en verweerders, vertegenwoordigd door mr. M. Rudolph en drs. W. Wispelwij, ambtenaren van de provincie, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Op 1 januari 1994 is in werking getreden de Wet van 16 december 1993 tot wijziging van de Wet op de rechterlijke organisatie, de Algemene wet bestuursrecht, de Wet op de Raad van State, de Beroepswet, de Ambtenarenwet 1929 en andere wetten, alsmede intrekking van de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie), Stb. 1993, 650, welke nadien is gewijzigd. Uit de daarbij behorende overgangsbepalingen volgt dat het geschil voor wat betreft de totstandkoming van het besluit en de regeling van bezwaar en beroep dient te worden behandeld met toepassing van het recht dat gold voor 1 januari 1994.
2.2. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen milieuhygiëne (hierna: Wabm) wordt een weigering om een beschikking te geven met een beschikking gelijk gesteld. Het geven van een beschikking wordt geacht te zijn geweigerd, wanneer het bevoegd gezag niet binnen zeven maanden na de datum van ontvangst van de aanvraag een exemplaar van de beschikking aan de aanvrager heeft toegezonden.
Ingevolge artikel 45, eerste lid, wordt het beroepschrift voor het einde van de in artikel 32, eerste lid, bedoelde termijn ingediend.
Ingevolge het tweede lid kan, indien overeenkomstig artikel 43 het geven van een beschikking wordt geacht te zijn geweigerd, het daartegen gerichte beroepschrift worden ingediend totdat het bevoegd gezag de beschikking op de aanvraag alsnog aan de aanvrager heeft toegezonden.
Ingevolge het derde lid blijft, wanneer het beroepschrift na afloop van de daarvoor gestelde termijn is ingediend, niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege, indien de klager aantoont dat hij beroep heeft ingesteld zo spoedig als dit redelijkerwijs verlangd kon worden.
2.3. Niet in het geding is dat verweerders niet binnen de in artikel 43, eerste lid, van de Wabm gestelde termijn van zeven maanden na de datum van ontvangst van de aanvraag, zijnde 6 augustus 1990, hebben beslist. Nu niet is gebleken dat verweerders deze termijn hebben verlengd, stond vanaf 6 maart 1991 voor appellante de mogelijkheid open om beroep in te stellen tegen de weigering een besluit op de aanvraag te nemen. Appellante heeft dat eerst bij brief van 25 oktober 2001 gedaan.
2.3.1. Het bepaalde in artikel 45, tweede lid, van de Wabm laat onverlet het beginsel dat van een rechtsmiddel, indien het aanwenden ervan niet aan een termijn is gebonden, niet onredelijk laat gebruik mag worden gemaakt – welk beginsel thans is neergelegd in artikel 6:12, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.
Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij, op grond van aan verweerders toe te rekenen uitlatingen of gedragingen erop kon vertrouwen dat zij zouden voldoen aan hun verplichting om een besluit te nemen op de aanvraag. In de door appellante ter zitting aangevoerde omstandigheid dat zij en verweerders de afgelopen jaren - met tussenpozen - in overleg waren met de gemeente Geldermalsen over een mogelijke verplaatsing van het bedrijf en dat zij op de uitkomsten van deze overleggen geen invloed kon uitoefenen, kan, wat daarvan verder zij, naar het oordeel van de Afdeling geen belemmering zijn gelegen om tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag eerder rechtsmiddelen aan te wenden. Deze overleggen waren immers niet gericht op het verkrijgen van een vergunning voor de inrichting op de thans in het geding zijnde locatie. Het had daarom op de weg van appellante gelegen om bij verweerders aan te dringen op het nemen van een besluit op de aanvraag. Uit de stukken blijkt dat appellante eerst in 1999 verweerders hebben herinnerd aan het bestaan van de aanvraag. Nog daargelaten dat verweerders in hun antwoord hierop hebben ontkend dat in 1990 een ontvankelijke aanvraag bij hen was ingediend, kan uit de opstelling van appellante tot 1999 worden afgeleid dat zij in de jaren daarvoor had berust in het uitblijven van een besluit.
Naar het oordeel van de Afdeling is het beroep dan ook onredelijk laat ingediend.
2.4. Gelet op het voorgaande is het beroep niet-ontvankelijk.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H. Beekhuis, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. M.A.C. Prins, ambtenaar van Staat.
w.g. Beekhuis w.g. Prins
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2002
180-355