ECLI:NL:RVS:2002:AE5964
Raad van State
- Hoger beroep
- C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
- H.G. Lubberdink
- T.M.A. Claessens
- Rechtspraak.nl
Weigering vergunning voor het houden van een in gevangenschap gekweekte havik
Appellant verzocht om een vergunning op grond van artikel 21 van Pro de Vogelwet 1936 voor het onder zich hebben, vervoeren, in- of uitvoeren en tentoonstellen van een in gevangenschap geboren en opgekweekte havik. De Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij weigerde deze vergunning met het oog op het behoud van de soort en het voorkomen van roof van jongen en eieren uit de natuur.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State bevestigde deze uitspraak in hoger beroep. De Afdeling overwoog dat de Vogelrichtlijn niet van toepassing is op in gevangenschap gekweekte vogels, waardoor de lidstaten bevoegd blijven om beschermingsmaatregelen te treffen.
Verder oordeelde de Raad dat het verbod op het houden van haviken gerechtvaardigd is op grond van artikel 36 EG Pro-Verdrag ter bescherming van de gezondheid en het leven van dieren. Het belang van het behoud van de wilde vogelstand en de controle op vergunningen rechtvaardigen het verbod, ondanks dat de vogel in andere lidstaten vrijelijk kan worden verkregen.
De Afdeling vond het beleid van de Staatssecretaris niet onredelijk of in strijd met het gelijkheidsbeginsel en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de vergunning bevestigd.