ECLI:NL:RVS:2002:AE5986

Raad van State

Datum uitspraak
31 juli 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105539/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 Wet openbare manifestatiesArt. 8:73 Algemene wet bestuursrecht
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen besluit burgemeester inzake demonstratie

Appellanten, Stichting Japanse Ereschulden en een natuurlijke persoon, stelden beroep in tegen een besluit van de burgemeester van Leiden dat een demonstratie op 25 mei 2000 in een bepaald gebied verbood. De burgemeester had echter later de bezwaren van appellanten gegrond verklaard en het bestreden besluit herroepen.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten niet-ontvankelijk omdat zij geen rechtens te honoreren belang meer hadden. Appellanten gingen tegen deze uitspraak in hoger beroep bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de bestuursrechter alleen kan oordelen over rechtsvragen binnen een bestaand geschil omtrent een besluit. Nu het geschil feitelijk was komen te vervallen door herroeping van het besluit, kon geen uitspraak worden gedaan, ook niet over principiële rechtsvragen.

Daarnaast wees de Afdeling het verzoek om schadevergoeding af omdat dit alleen mogelijk is bij gegrondverklaring van het beroep. De Afdeling bevestigde daarom de niet-ontvankelijkverklaring en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep bevestigd.

Uitspraak

200105539/1.
Datum uitspraak: 31 juli 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. Stichting Japanse Ereschulden, gevestigd te ’s-Gravenhage en
2. [appellant], wonende te [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 20 september 2001 in het geding tussen:
appellanten
en
de burgemeester van Leiden.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 mei 2000 heeft de burgemeester van Leiden (hierna: de burgemeester) aan het Comité van oud-Indiëgangers naar aanleiding van diens mondelinge kennisgeving om een demonstratie te houden op donderdag 25 mei 2000, medegedeeld dat het op 25 mei 2000 van 9:30 tot 12:30 uur vanwege logistieke redenen niet mogelijk is om binnen het afgesloten gebied aan het Rapenburg en langs de aan- en afvoerroute een betoging, demonstratie en dergelijke te houden. Daarbij is erop gewezen dat hiervoor op de Beestenmarkt en het Stadhuisplein wel de gelegenheid zou bestaan en dat de mogelijkheid bestond om vanaf de Beestenmarkt naar het Stadhuisplein te lopen via de in dit besluit aangegeven route. Tevens bevat het besluit de door de burgemeester aan het houden van een betoging, demonstratie e.d. gestelde voorschriften en beperkingen ingevolge artikel 5 van Pro de Wet openbare manifestaties.
Bij besluiten van 12 december 2000 heeft de burgemeester de daartegen door appellanten gemaakte bezwaren gegrond verklaard en de bestreden beslissing herroepen. Dit besluit en het advies van de commissie voor de Beroep- en Bezwaarschriften van 1 december 2000, waarnaar in de besluiten wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 20 september 2001, verzonden op 27 september 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten gezamenlijk ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 7 november 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 21 maart 2002 heeft de burgemeester van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 3 juni 2002, waar appellant sub 1, vertegenwoordigd door G.E.M. Later, advocaat te
‘s-Gravenhage, [gemachtigde], [gemachtigde], appellant sub 2 in persoon, en de burgemeester, vertegenwoordigd door mr. M.B. Faasse, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank heeft terecht en op goede gronden overwogen dat appellanten geen rechtens te honoreren belang meer hebben en derhalve niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard. Bij besluiten van 12 december 2000 heeft de burgemeester de door appellanten gemaakte bezwaren gegrond verklaard en de bestreden beslissing herroepen. Het beroep en hoger beroep van appellanten is er uitsluitend op gericht een principieel rechterlijk oordeel te verkrijgen over de vraag of de burgemeester heeft gehandeld in strijd met de Wet openbare manifestaties, de Grondwet en verscheidene verdragsbepalingen. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling is de bestuursrechter alleen in het kader van een geschil met betrekking tot een besluit tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen. Waar een dergelijk geschil niet (langer) bestaat, kan van de rechter geen uitspraak worden gevraagd, ook niet als het gaat om de beantwoording van een rechtsvraag van principiële betekenis.
Met betrekking tot het bij de rechtbank ingediende verzoek om schadevergoeding heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) alleen bij een gegrondverklaring van het beroep kan worden toegewezen. Nu appellanten door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard, heeft de rechtbank eveneens terecht geconcludeerd dat een veroordeling tot schadevergoeding op de voet van artikel 8:73 van Pro de Awb niet mogelijk is.
2.2. Vorenstaande leidt tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.M. van Angeren, Voorzitter, en mr. J.A.W. Scholten-Hinloopen en mr. W. van den Brink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Zwemstra, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Angeren w.g. Zwemstra
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2002
45-421.