ECLI:NL:RVS:2002:AE6485
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- J.H.C.A. Muller
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing naturalisatieverzoek wegens onvoldoende taalbeheersing
Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van haar verzoek tot naturalisatie door de Staatssecretaris van Justitie. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, omdat zij onvoldoende redelijke kennis van de Nederlandse taal zou bezitten zoals vereist in artikel 8 van Pro de Rijkswet op het Nederlanderschap.
In hoger beroep betoogde appellante dat zij wel over voldoende taalvaardigheid beschikte en dat zij analfabeet zou zijn, wat echter pas in hoger beroep werd gesteld en daarom niet in aanmerking kon worden genomen bij het oorspronkelijke besluit. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de Staatssecretaris zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat appellante niet voldeed aan de taalvereiste.
De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het naturalisatieverzoek bevestigd.