ECLI:NL:RVS:2002:AE6498
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek tot verlening Nederlanderschap wegens gevaar voor openbare orde
Appellant verzocht om verlening van het Nederlanderschap, maar dit verzoek werd door de staatssecretaris van Justitie afgewezen op grond van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Appellant voerde aan dat hij ten tijde van de strafbare feiten in een moeilijke situatie verkeerde vanwege onzekerheid over zijn verblijfsstatus, maar inmiddels duurzaam was geïntegreerd en geen gevaar voor recidive bestond.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond en de Raad van State heeft dit oordeel bevestigd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de omstandigheden die appellant aanvoerde niet als bijzondere feiten of omstandigheden konden worden aangemerkt die tot een andere conclusie zouden moeten leiden. Er bestonden ernstige vermoedens dat appellant een gevaar voor de openbare orde vormt, conform de richtlijnen die de staatssecretaris hanteert.
De Raad van State bevestigde daarmee de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van het verzoek tot Nederlanderschap wordt bevestigd.