ECLI:NL:RVS:2002:AE6691

Raad van State

Datum uitspraak
21 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105603/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • B. van Wagtendonk
  • W.M. Haverkamp
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkverklaring beroep tegen dwangsombesluit verwijdering woonschip

Appellant werd door burgemeester en wethouders van Genemuiden (thans Zwartewaterland) gesommeerd een in strijd met de havenverordening aangemeerd woonschip te verwijderen, onder dreiging van een dwangsom. Na het ongegrond verklaren van het bezwaar tegen dit besluit, verklaarde de rechtbank het beroep van appellant niet-ontvankelijk omdat appellant het schip had verwijderd en verkocht, waardoor hij geen belang meer had bij het geschil.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij schade had geleden door sleepkosten, maar kon dit niet aannemelijk maken omdat hij geen bewijs van betaling overlegde. Tevens bleek uit de stukken en de zitting dat appellant niet van plan was een ander schip op die plaats te leggen, maar de plek slechts tijdelijk had ingenomen om duidelijkheid te krijgen over een geschikte ligplaats.

Gezien deze omstandigheden oordeelde de Raad van State dat de rechtbank terecht het beroep niet-ontvankelijk had verklaard en bevestigde de uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het beroep tegen het dwangsombesluit bevestigd.

Uitspraak

200105603/1.
Datum uitspraak: 21 augustus 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats]
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Zwolle van 2 oktober 2001 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Genemuiden, thans Zwartewaterland.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 juli 2000 hebben burgemeester en wethouders van Genemuiden, thans Zwartewaterland (hierna: burgemeester en wethouders) appellant aangeschreven het in strijd met de havenverordening in de insteekhaven bij de pont van Genemuiden aangemeerde (woon)schip uiterlijk woensdag 2 augustus 2000 te verwijderen en verwijderd te houden, op verbeurte van een dwangsom van ƒ 250,00/€ 113,45 per dag tot een maximum van ƒ 50.000,00/€ 22.689,01.
Bij besluit van 10 oktober 2000, verzonden op 17 oktober 2000, hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 2 oktober 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Zwolle (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 12 november 2001, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 juli 2002, waar appellant, vertegenwoordigd door [gemachtigde] is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen belang meer heeft bij beoordeling van het dwangsombesluit, zoals in bezwaar gehandhaafd, nu hij het schip, gevolg gevend aan de last onder dwangsom, niet alleen heeft verwijderd, maar ook heeft verkocht, en hij de als gevolg hiervan beweerdelijk door hem geleden schade niet nader heeft geconcretiseerd noch anderszins voldoende aannemelijk heeft gemaakt.
2.2. Appellant bestrijdt dit oordeel tevergeefs. Hij heeft met de in hoger beroep overgelegde offerte voor de sleepkosten, die zouden zijn gemoeid met de verwijdering, evenmin voldoende aannemelijk gemaakt dat daadwerkelijk schade is geleden. Een bewijs van betaling van deze kosten is niet overgelegd.
Voorts is uit de stukken en het verhandelde ter zitting gebleken dat appellant niet voornemens is met een ander schip op deze plaats te gaan liggen. Hij had deze plaats, in de wetenschap dat dit geen permanente ligplaats kon zijn, slechts ingenomen om burgemeester en wethouders aan te sporen hem duidelijkheid te bieden over een wel geschikte ligplaats.
2.3. Onder deze omstandigheden is er geen aanleiding voor een ander oordeel dan dat waartoe de rechtbank is gekomen. Het hoger beroep is derhalve ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. W.M. Haverkamp, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Haverkamp
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 21 augustus 2002
306-426