ECLI:NL:RVS:2002:AE6695

Raad van State

Datum uitspraak
21 augustus 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200200764/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:52 AwbArt. 8:72 AwbArt. 2 planvoorschriften bestemmingsplan
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake weigering detailhandelsvergunning op industrieel perceel

Appellante verzocht burgemeester en wethouders van Helmond om een vergunning voor detailhandel in een bedrijfspand op een perceel met de bestemming 'Industrie'. Burgemeester en wethouders weigerden deze vergunning en verklaarden het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het besluit op bezwaar en verklaarde het bezwaar alsnog ongegrond.

Appellante ging in hoger beroep bij de Raad van State, die oordeelde dat burgemeester en wethouders niet hadden onderzocht of zij bevoegd waren om vrijstelling te verlenen van het bestemmingsplanvoorschrift dat detailhandel op het perceel verbiedt. Hierdoor was het niet juist dat de rechtbank zelf in de zaak voorzag en het bezwaar ongegrond verklaarde.

De Raad van State vernietigde daarom het deel van de uitspraak waarin het bezwaar ongegrond werd verklaard en bepaalde dat burgemeester en wethouders een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen. Voor het overige werd de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd, maar appellante kreeg het betaalde griffierecht vergoed.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en burgemeester en wethouders worden opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Uitspraak

200200764/1.
Datum uitspraak: 21 augustus 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de vennootschap onder firma [naam v.o.f.], gevestigd te [plaats], waarvan de vennoten zijn [namen vennoten],
appellante
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 22 januari 2002 in het geding tussen:
appellante
en
burgemeester en wethouders van Helmond.
1. Procesverloop
Bij brief van 23 januari 2001 hebben burgemeester en wethouders van Helmond (hierna: burgemeester en wethouders), in antwoord op het verzoek van appellante om vergunning voor het uitoefenen van detailhandel in een bedrijfspand aan de [locatie] te [plaats], medegedeeld dat dit gebruik niet is toegestaan.
Bij besluit van 21 mei 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 januari 2002, verzonden op 23 januari 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) voor zover hier relevant het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd en het bezwaar alsnog ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 4 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De Afdeling heeft bepaald dat deze zaak versneld wordt behandeld als bedoeld in artikel 8:52, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: van de Awb).
Bij brief van 25 maart 2002 hebben burgemeester en wethouders een memorie van antwoord ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellante. Deze is aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 11 juni 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door [gemachtigden], en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. P. Helmus, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. In de als bestemmingsplan geldende “4e partiële herziening van het uitbreidingsplan in hoofdzaken 1952”, laatstelijk herzien in 1996, rust op het perceel van appellante de bestemming “Industrie”.
Ingevolge artikel 6 van Pro de planvoorschriften zijn gronden met deze bestemming bestemd voor industriële bebouwing.
Ingevolge artikel 2 onder Pro B, sub 1, van de bij het plan behorende gebruiksvoorschriften is het verboden grond en/of opstallen te gebruiken, in gebruik te geven of te laten gebruiken op een wijze of tot een doel in strijd met de van toepassing zijnde bestemming.
Ingevolge artikel 2 onder Pro B, sub 2, van deze gebruiksvoorschriften wordt onder strijdig gebruik in ieder geval verstaan het gebruik voor detailhandel.
Ingevolge artikel 2, onder C, sub 1, van de gebruiksvoorschriften verlenen burgemeester en wethouders vrijstelling van het bepaalde onder B. indien strikte toepassing zou leiden tot een beperking van het meest doelmatig gebruik, welke beperking niet door dringende redenen wordt gerechtvaardigd.
Ingevolge artikel 2 onder Pro C, sub 2, van de gebruiksvoorschriften kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bepaalde onder B voor detailhandel in auto’s, boten, caravans, grove bouwmaterialen alsmede brandbare en/of explosiegevaarlijke stoffen.
2.2. De Afdeling is van oordeel dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft overwogen dat de in de brief van burgemeester en wethouders van 23 januari 2001 vervatte mededeling aangemerkt dient te worden als een besluit in de zin van artikel 1:3 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) waartegen appellante bezwaar kon maken. De rechtbank heeft blijkens haar uitspraak, gelet op het door appellante gestelde spoedeisend belang, uit proces-economische overwegingen aanleiding gezien de zaak ten gronde te behandelen en met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien. Dit acht de Afdeling onjuist nu burgemeester en wethouders hebben nagelaten te onderzoeken of zij bevoegd en gehouden waren vrijstelling te verlenen als bedoeld in artikel 2, onder C, sub 1, van de planvoorschriften, dan wel of zij bevoegd waren tot het verlenen van een buitenplanse vrijstelling. Onder deze omstandigheden doet zich niet de situatie voor dat rechtens nog maar één beslissing mogelijk is.
2.3. Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank dient te worden vernietigd, voor zover daarbij het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 januari 2001 ongegrond is verklaard en is bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar. Burgemeester en wethouders dienen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Voor het overige dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding nu niet is gebleken van voor vergoeding is aanmerking komende proceskosten.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 22 januari 2002, AWB 01/1636, voorzover het bezwaar van appellante tegen het besluit van 23 januari 2001 ongegrond is verklaard en is bepaald dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van de vernietigde beslissing op bezwaar;
III. draagt burgmeester en wethouders van Helmond op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;
IV. bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
V. gelast dat de Secretaris van de Raad van State aan appellante het door haar voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 327,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H. Troostwijk, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.
w.g. Troostwijk w.g. Haan
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op
27-387.