ECLI:NL:RVS:2002:AE7215

Raad van State

Datum uitspraak
4 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105783/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • J.A.M. van Angeren
  • H.G. Lubberdink
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen uitspraak inzake weigering bestuursdwang bij strijdig gebruik perceel Texel

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Alkmaar die het beroep van verzoekers tegen de weigering van burgemeester en wethouders van Texel om bestuursdwang toe te passen wegens strijdig gebruik van een perceel gegrond verklaarde.

De burgemeester en wethouders hadden geweigerd op te treden tegen het gebruik van het perceel, ondanks strijd met het bestemmingsplan De Koog, met verwijzing naar overgangsbepalingen. Zij overhandigden stukken aan de rechtbank waarvan de kennisname beperkt werd op grond van artikel 8:29 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Verzoekers verleenden geen toestemming voor kennisname van deze stukken, waardoor de rechtbank deze buiten beschouwing liet en het beroep gegrond verklaarde.

De Raad van State oordeelt dat door het weigeren van toestemming voor kennisname de rechtbank niet kon toetsen of de weigering tot bestuursdwang gerechtvaardigd was. De rechtbank had dit nadeel voor rekening van verzoekers moeten laten komen. Gezien het berusten van verzoekers in de beperking van kennisname en het niet langer betwisten daarvan, verklaart de Raad van State het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: Het beroep tegen de weigering tot bestuursdwang wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank vernietigd.

Uitspraak

200105783/1.
Datum uitspraak: 4 september 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
3. burgemeester en wethouders van Texel,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 18 oktober 2001 in het geding tussen:
[verzoekers], wonend te [woonplaats]
en
appellanten sub 3.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 mei 1999 hebben appellanten sub 3 (hierna: burgemeester en wethouders) een verzoek van [verzoekers] om tegen met het bestemmingsplan "De Koog" strijdig gebruik van het perceel [locatie], gemeente Texel, op te treden afgewezen.
Bij besluit van 29 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders, voorzover thans van belang, het daartegen door [verzoekers] gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 18 oktober 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Alkmaar (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen door [verzoekers] ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat burgemeester en wethouders met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op het bezwaarschrift nemen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellant sub 1 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 22 november 2001, appellant sub 2 bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2001, en burgemeester en wethouders bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 november 2001, hoger beroep ingesteld. Appellanten sub 2 en 3 hebben de gronden van het beroep aangevuld bij onderscheiden brieven van 20 december 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 8 maart 2002 hebben [verzoekers] een memorie ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 12 juli 2002, waar appellanten sub 1 en 2 in persoon en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door O.W.M. Storms, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen. Voorts zijn daar [verzoekers], vertegenwoordigd door mr. M.L.M. Frantzen, advocaat te Ouderkerk aan de Amstel, als partij gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Aan het in bezwaar gehandhaafde besluit van 21 mei 1999 hebben burgemeester en wethouders de overweging ten grondslag gelegd dat het gebruik van het perceel [locatie], hoewel in strijd met het ter plaatse geldende bestemmingsplan De Koog, onder de werking van de van dit plan deel uitmakende overgangsbepalingen valt.
In beroep hebben zij onder meer op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank overgelegd, ten aanzien waarvan zij op de voet van artikel 8:29, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht hebben meegedeeld dat uitsluitend de rechtbank hiervan kennis zal mogen nemen. De rechtbank heeft op de voet van het derde lid van dit artikel beslist dat de beperking van de kennisneming van deze stukken gerechtvaardigd is. Vervolgens hebben [verzoekers] de rechtbank geen toestemming verleend om mede op de grondslag van die stukken uitspraak te doen. Om die reden heeft de rechtbank deze buiten beschouwing gelaten.
2.2. Door hun weigering de rechtbank toestemming te geven om mede op de grondslag van de hiervoor bedoelde stukken uitspraak te doen hebben [verzoekers] de rechtbank de mogelijkheid ontnomen te onderzoeken of de weigering om tegen het op het perceel [locatie] gevestigde [eetcafé] op te treden gerechtvaardigd was op de door burgemeester en wethouders daartoe gebezigde overwegingen. De gevolgen daarvan heeft de rechtbank ten onrechte niet voor hun rekening gelaten door het er onder die omstandigheden bij gebrek aan wetenschap voor te houden dat burgemeester en wethouders op basis van de hun ter beschikking staande gegevens terecht hebben geweigerd tot de gevraagde bestuursdwang te besluiten. De Afdeling komt te gereder tot deze conclusie, nu [verzoekers] berust hebben in de uitspraak van de rechtbank van 18 juli 2001, waarbij deze hun beroep tegen de beslissing van burgemeester en wethouders hun geen inzage te verschaffen in bedoelde stukken ongegrond heeft verklaard en zij ook overigens niet langer de gerechtvaardigdheid van de beperking van de kennisname van die stukken hebben bestreden.
2.3. De hoger beroepen zijn gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep van [verzoekers] alsnog ongegrond verklaren.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Alkmaar van 18 oktober 2001 in zaak nummer 00/770 GEMWT;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.A.M. van Angeren en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Groenendijk
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 4 september 2002
164.