ECLI:NL:RVS:2002:AE7788

Raad van State

Datum uitspraak
18 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200202361/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • J.A.E. van der Does
  • C. de Gooijer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering vergunning terras door burgemeester Amsterdam Oud Zuid

Le Garage B.V. exploiteert sinds 1990 een restaurant met een klein terras aan een locatie in Amsterdam. De burgemeester van Amsterdam verleende in november 1998 een vergunning voor exploitatie van het horecabedrijf zonder terras. Appellante maakte bezwaar tegen deze beslissing, dat bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank Amsterdam verklaarde het daarop ingestelde beroep eveneens ongegrond.

Appellante stelde dat vanwege eerdere vergunningverlening voor het terras ook nu een vergunning voor het terras had moeten worden verleend. De Raad van State oordeelde dat de burgemeester in redelijkheid het beleid, vastgelegd in de Beleidsregels terrassen stadsdeel Amsterdam Oud Zuid 2000, heeft toegepast en dat er geen bijzondere omstandigheden waren om hiervan af te wijken.

Ook het argument van appellante over het jarenlang betalen van precariobelasting en een onjuiste vermelding in een brief van de burgemeester leidde niet tot een ander oordeel. De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep van Le Garage B.V. wordt ongegrond verklaard en de weigering van de terrasvergunning bevestigd.

Uitspraak

200202361/1.
Datum uitspraak: 18 september 2002.
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "Le Garage B.V.”, gevestigd te Amsterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 9 april 2002 in het geding tussen:
appellante
en
het dagelijks bestuur van het Stadsdeel Amsterdam Oud Zuid (lees: de burgemeester van Amsterdam).
1. Procesverloop
Bij een in november 1998 genomen besluit heeft de burgemeester van Amsterdam (hierna: de burgemeester) aan appellante een vergunning verleend voor de exploitatie van een horecabedrijf zonder terras aan de [locatie].
Bij ongedateerd besluit, verzonden op 6 juli 2000, heeft de burgemeester het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 9 april 2002, verzonden op dezelfde datum, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het door appellante daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 29 april 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 3 juni 2002 heeft de burgemeester van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 5 augustus 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. Ch. Koster, advocaat te Amsterdam, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. J.E. Kenter, ambtenaar van de gemeente, bijgestaan door mr. E.A. Minderhoud, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Appellante exploiteert sinds 1990 een restaurant met een klein terras aan de [locatie]. Zij betoogt, dat hiervoor eerder een vergunning is verleend en dat daarom ook nu de exploitatie van een terras, bestaande uit twee tafels, had moeten worden vergund.
2.2. Niet kan worden staande gehouden, dat de burgemeester niet in redelijkheid een vergunning heeft kunnen verlenen voor de exploitatie van het restaurant zonder terras. Voor het oordeel, dat het door de burgemeester in dezen gehanteerde toepasselijke beleid - vastgelegd in de Beleidsregels terrassen stadsdeel Amsterdam Oud Zuid 2000 – onredelijk is dan wel hieraan een onjuiste toepassing is gegeven, bestaat geen aanleiding. Er hebben zich geen bijzondere feiten en of omstandigheden voorgedaan, die de burgemeester aanleiding hadden moeten geven, in afwijking van het beleid, tevens de exploitatie van een terras te vergunnen. Aan het gestelde omtrent het jarenlang betalen van precariobelasting voor het terras en de onjuiste vermelding van een terrasvergunning in de brief van de burgemeester van 18 december 1996 zijn terecht niet de gevolgen verbonden die appellante daaraan gehecht wil zien. De rechtbank is terecht en op juiste gronden tot hetzelfde oordeel gekomen.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Voorzitter, en mr. J.A.E. van der Does en mr. C. de Gooijer, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J. de Koning, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. De Koning
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 september 2002.
156.