AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing verzoek tot herziening uitspraak over aanwijzingen luchtvaartterrein Seppe
Verzoekers hebben bij brief verzocht om herziening van uitspraken van 5 december 2001 over beslissingen op bezwaar inzake aanwijzingen op het luchtvaartterrein Seppe. Zij stelden dat het besluit tot verlenging van de start- en landingsbaan en vergroting van het terrein in strijd was met internationale verdragsbepalingen, het Structuurschema burgerluchtvaartterreinen, het Streekplan West-Brabant en een brochure van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de aangevoerde feiten en omstandigheden vóór de uitspraak bekend of redelijkerwijs bekend hadden kunnen zijn bij verzoekers. De internationale verdragsbepalingen waren algemeen kenbaar, het streekplan was openbaar en inmiddels vervangen, en de brochure was eveneens openbaar. Hierdoor zouden deze feiten niet tot een andere uitspraak hebben geleid.
De Afdeling benadrukte dat het bijzondere rechtsmiddel van herziening niet bedoeld is om een reeds beslecht geschil opnieuw aan de rechter voor te leggen. Het verzoek werd daarom als ongegrond afgewezen. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek tot herziening van de eerdere uitspraken over het luchtvaartterrein Seppe wordt afgewezen wegens het ontbreken van nieuwe feiten of omstandigheden.
Uitspraak
200200984/1
Datum uitspraak: 25 september 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker], wonend te [woonplaats], [verzoekers], beiden wonend te [woonplaats], en [verzoeker], wonend te [woonplaats]
om herziening van de uitspraken van de Afdeling van 5 december 2001, in de zaken nos. 200002721/1 en 200101101/1.
1. Procesverloop
Bij uitspraak van 5 december 2001 in zaak no. 200002721/1 heeft de Afdeling de beroepen van verzoekers tegen de beslissingen op bezwaar inzake de aanwijzingen ingevolge de artikelen 18 en 26 van de Luchtvaartwet van het luchtvaartterrein Seppe, gegrond verklaard.
Bij uitspraak van dezelfde datum in zaak no. 200101101/1 heeft de Afdeling de beroepen tegen de beslissing op bezwaar inzake de wijziging van de aanwijzing ingevolge artikel 18 vanPro de Luchtvaartwet van het luchtvaartterrein Seppe ongegrond verklaard.
De uitspraken zijn aangehecht.
Bij brief van 8 februari 2002 hebben verzoekers de Afdeling verzocht die uitspraken te herzien. Deze brief is aangehecht.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 augustus 2002, waar verzoekers, in de persoon van [verzoekers], zijn verschenen. Voorts zijn daar verschenen mr. drs. J.W. Edinga en ir. J.Th.M. Knapen namens de Minister van Verkeer en Waterstaat alsmede [gemachtigde] namens de N.V. Vliegveld Seppe.
Ter zitting hebben verzoekers het verzoek om herziening ingetrokken wat betreft de uitspraak van 5 december 2001 in zaak no. 200101101/1.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan de Afdeling op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:
a. hebben plaatsgevonden vóór de uitspraak,
b. bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en
c. waren zij bij de Afdeling eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.
2.2. Verzoekers voeren als grond voor herziening van de uitspraak in zaak no. 200002710/1 het volgende aan.
Allereerst is het in de uitspraak beoordeelde besluit, dat betrekking heeft op een verlenging van de start- en landingsbaan en een vergroting van het luchtvaartterrein, strijdig met nadergenoemde bepalingen in de bijlagen bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart van 7 december 1944 (verder: het Verdrag).
Daarnaast zijn de verlenging van de baan en de vergroting van het terrein in strijd met het Structuurschema burgerluchtvaartterreinen en het Streekplan West-Brabant Partiële herziening 1985, omdat deze beide beleidsstukken geen uitbreiding van het luchtvaartterrein toestaan.
Ten slotte is het beoordeelde besluit strijdig met het bepaalde in de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, omdat de in die brochure opgenomen aan te houden afstand tussen woonbebouwing en een luchtvaartterrein niet in acht wordt genomen.
2.3. Met betrekking tot de strijd met de nadergenoemde bepalingen in de bijlagen behorende bij het Verdrag overweegt de Afdeling dat van de desbetreffende bijlagen kennis is gegeven in het Tractatenblad van 25 juni 1999, no. 108. In die kennisgeving is vermeld dat de tekst van de bijlagen ter inzage ligt bij de Rijksluchtvaartdienst. Op deze wijze was het bepaalde in de bijlagen algemeen kenbaar. Aldus hadden verzoekers voor de uitspraak van 5 december 2001 redelijkerwijs bekend kunnen zijn met de bepalingen van het desbetreffende verdrag.
2.4. Ten aanzien van de strijd met het genoemde structuurschema en streekplan is het volgende van belang.
In de uitspraak waarvan herziening is gevraagd, heeft de Afdeling in overweging 2.4.1 een oordeel gegeven over de verenigbaarheid van de baanverlenging met het Structuurschema burgerluchtvaartterreinen. In zoverre betreft de aangevoerde grond voor herziening dus geen feit of omstandigheid waarmee verzoekers en de Afdeling voor de uitspraak niet bekend waren.
Vervolgens dient betekenis te worden toegekend aan het feit dat het door verzoekers genoemde streekplan op 13 februari 1987 is vastgesteld. Dit en het openbare karakter van het beleidsstuk in aanmerking genomen, hadden verzoekers voor de hier in het geding zijnde uitspraak redelijkerwijs met het Streekplan West-Brabant Partiële herziening 1985 bekend kunnen zijn. Overigens is het genoemde streekplan inmiddels vervangen door het op 17 juli 1992 vastgestelde Streekplan Noord-Brabant, zodat de door verzoekers vermeende strijd nimmer tot een andere uitspraak zou hebben kunnen leiden.
2.5. Wat betreft de strijd met de brochure “Bedrijven en milieuzonering” van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten overweegt de Afdeling dat deze brochure in januari 1999 is verschenen. Nu het voorts gaat om een openbaar stuk, hadden verzoekers voor de uitspraak van 5 december 2001 redelijkerwijs met de brochure bekend kunnen zijn.
2.6. Gelet op het hiervoor overwogene doen zich in dit geval geen feiten of omstandigheden voor als bedoeld in vorenvermelde wettelijke bepaling. Het verzoek dient dan ook als ongegrond te worden afgewezen.
Overigens merkt de Afdeling op dat, voorzover verzoekers mochten beogen het debat omtrent de in het geding zijnde aanwijzingen te heropenen, het bijzondere rechtsmiddel van de herziening er niet toe dient om een geschil waarin is beslist, naar aanleiding van de uitspraak opnieuw aan de rechter voor te leggen.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door dr. D. Dolman, Voorzitter, en mr. J.J. Vis en mr. P.A. Offers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.