ECLI:NL:RVS:2002:AE7999
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- M. Oosting
- H.Ph.J.A.M. Hennekens
- Rechtspraak.nl
Ongegrond beroep tegen vergunning voor storten baggerspecie in kanaalput
Bij besluit van 3 september 2001 verleende de staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat een vergunning aan de Staat der Nederlanden voor het storten van maximaal tweeduizend m3 klasse 2-onderhoudsspecie afkomstig uit de Zuid-Willemsvaart in een diepe put in het kanaal Wessem-Nederweert.
Appellanten, burgemeester en wethouders van Heel, maakten bezwaar tegen dit besluit en stelden dat het Bouwstoffenbesluit bodem- en oppervlaktewaterenbescherming (Bsb) van toepassing is op het storten van de baggerspecie, omdat dit een grondwerk betreft. Zij betoogden dat de vergunning niet had mogen worden verleend zonder de vereiste kwaliteitsgegevens.
De staatssecretaris stelde dat het storten van de specie geen functioneel karakter heeft en daarom niet als een werk in de zin van het Bsb kan worden beschouwd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat het Bsb niet expliciet vereist dat een werk een functioneel karakter moet hebben, maar dat in dit geval de stort geen ander doel heeft dan het storten zelf en onvoldoende omvang heeft om als werk te gelden.
Daarom is artikel 22 van Pro het Bsb niet van toepassing en is het beroep ongegrond verklaard. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen de vergunning voor het storten van baggerspecie in de diepe put wordt ongegrond verklaard.