ECLI:NL:RVS:2002:AE8091
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- H.G. Lubberdink
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen vrijheidsontnemende maatregel vreemdeling volgens Vreemdelingenwet 2000
De staatssecretaris van Justitie legde op 4 juni 2002 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een vreemdeling op grond van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank te 's-Gravenhage verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval onmiddellijke opheffing van de maatregel. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De kern van het geschil betrof de vraag of de vreemdeling onverwijld was geïnformeerd over de reden van zijn vrijheidsontneming, zoals vereist door artikel 5, tweede lid, EVRM. De rechtbank oordeelde dat de informatieverstrekking op de derde dag na detentie te laat was, maar de Raad van State stelde vast dat dit niet strookt met eerdere jurisprudentie waarin informatieverstrekking op de vierde dag nog als onverwijld werd beschouwd.
De Raad van State overwoog dat de kennisgeving aan de rechtbank binnen twee dagen na vrijheidsontneming werd ontvangen, waardoor de vreemdeling geacht wordt beroep te hebben ingesteld en zijn recht op rechtsmiddelen effectief is gewaarborgd. Daarom werd het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaard.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op 31 juli 2002.
Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris is gegrond verklaard en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.