ECLI:NL:RVS:2002:AE8097
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- B. van Wagtendonk
- M. Vlasblom
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bevoegdheid tot uitzetting ondanks tijdelijke verhindering wegens zwangerschap
De staatssecretaris van Justitie wees een herhaalde aanvraag van een vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd af. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit, omdat de staatssecretaris het verzoek om terug te komen op de eerdere weigering onterecht had afgewezen op grond van artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De Raad van State oordeelde dat de bevoegdheid tot uitzetting een rechtsgevolg van rechtswege is van de afwijzing van een verblijfsvergunning en niet discretionair is. Artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 maakt een tijdelijke verhindering mogelijk om tot uitzetting over te gaan, bijvoorbeeld vanwege zwangerschap, maar doet niets af aan de bevoegdheid tot uitzetting.
De rechtbank had ten onrechte geoordeeld dat de staatssecretaris niet mocht afwijzen met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, Awb, omdat zij tijdelijk afzag van uitzetting wegens zwangerschap. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond.
Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de eerdere afwijzing van de verblijfsvergunning blijft in stand.