ECLI:NL:RVS:2002:AE8260
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging van afwijzing verblijfsvergunning asiel na hoger beroep
De appellant heeft een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, welke door de staatssecretaris van Justitie op 12 juli 2001 is afgewezen. De rechtbank verklaarde het daarop ingestelde beroep ongegrond. De appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De appellant voerde aan dat de rechtbank ten onrechte de staatssecretaris volgde in de beoordeling dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij vervolging te vrezen had, mede vanwege tegenstrijdige verklaringen die volgens appellant onterecht werden geïnterpreteerd. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had vastgesteld dat de staatssecretaris zijn standpunt voldoende had gemotiveerd en dat er geen procedurele tekortkomingen waren die de verschillen in verklaringen konden verklaren.
Verder overwoog de Raad van State dat de grieven geen vragen opriepen die in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoefden, zodat de beperkte toetsing van artikel 91 Vreemdelingenwet Pro 2000 van toepassing was. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning asiel bevestigd.