ECLI:NL:RVS:2002:AE8986
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- A. Kosto
- A.J. Soede
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing vergunningontgronding en voorschriften bescherming landschappelijke waarden
Verweerders, gedeputeerde staten van Drenthe, hebben aan Onroerend Goed- en Exploitatie Maatschappij Emmen B.V. (OGEM) een vergunning verleend voor ontgrondingswerkzaamheden op diverse percelen in de gemeente Emmen. Tegen dit besluit hebben OGEM en Zand- en Exploitatie Maatschappij Emmen B.V. (ZEM) beroep ingesteld bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak verklaarde het beroep van ZEM niet-ontvankelijk omdat zij slechts uitvoerder is van de werkzaamheden in opdracht van OGEM en daardoor geen rechtstreeks belang heeft bij het besluit. Het beroep van OGEM richtte zich tegen een voorschrift dat ontgronding van een deel van perceel 2844 verbood, omdat dit deel volgens OGEM niet definitief was afgewerkt en zij de mogelijkheid wilde behouden om daar zand te winnen.
De Afdeling oordeelde dat het betreffende perceelsgedeelte al in de jaren vijftig tot circa 1966 was ontgraven en afgewerkt, met begroeide hellingen en aangeplante bomen. Het standpunt van verweerders dat het gebied definitief was beëindigd en beschermd diende te worden, werd ondersteund door een deskundigenbericht. OGEM had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat verdere ontgronding noodzakelijk was of dat er nog winbare zandvoorraden aanwezig waren.
De Afdeling concludeerde dat verweerders bij de belangenafweging terecht meer gewicht hadden toegekend aan het behoud van landschappelijke waarden dan aan de belangen van OGEM. Er was geen sprake van strijd met geschreven of ongeschreven rechtsregels of algemene rechtsbeginselen. Het beroep van OGEM werd ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep van ZEM werd niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van OGEM ongegrond verklaard; het beschermende voorschrift blijft van kracht.