ECLI:NL:RVS:2002:AE9031

Raad van State

Datum uitspraak
13 september 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200204308/1
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • M. Vlasblom
  • H. Troostwijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Vw 2000Art. 29 Vw 2000Art. 31 Vw 2000Art. 8:54 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen afwijzing verblijfsvergunning asiel wegens onvoldoende aannemelijkheid nationaliteit

De staatssecretaris van Justitie wees de aanvraag van de vreemdeling om een verblijfsvergunning asiel af omdat zij geen reis- of identiteitspapieren kon overleggen en onvoldoende aannemelijk maakte dat het ontbreken daarvan niet aan haar was toe te rekenen. Tevens was haar kennis van Afghanistan en de lokale omstandigheden zeer beperkt, waardoor het asielrelaas niet geloofwaardig werd geacht.

De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en vernietigde het besluit van de staatssecretaris. De Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de voorzieningenrechter de juiste toets niet had toegepast. De vraag was niet of de vreemdeling daadwerkelijk Afghaans was, maar of de staatssecretaris zich redelijkerwijs op het standpunt kon stellen dat de vreemdeling onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zij Afghaanse nationaliteit heeft. Gezien het gebrek aan documenten en de ontoereikende kennis over Afghanistan was dit standpunt redelijk. De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de voorzieningenrechter en verklaarde het beroep van de vreemdeling ongegrond.

Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.

Uitspraak

Raad
van State
200204308/1.
Datum uitspraak: 13 september 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie
appellant,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 26 juli 2002 in het geding tussen:
[vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 16 juli 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van [vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 26 juli 2002, verzonden op 31 juli 2002, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de voorzieningenrechter), het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 7 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brieven van 23 en 27 augustus 2002 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van Pro die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die, hetzij op zichzelf, hetzij in verband met andere feiten, een rechtsgrond voor verlening vormen.
Het is derhalve aan de vreemdeling om de aan zijn aanvraag ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden aannemelijk te maken.
Ingevolge dat artikel, tweede lid, aanhef en onder f, wordt bij het onderzoek naar de aanvraag om een verblijfsvergunning asiel mede betrokken dat de vreemdeling ter staving van zijn aanvraag geen reis- of identiteitspapieren dan wel andere bescheiden kan overleggen die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van zijn aanvraag, tenzij de vreemdeling aannemelijk kan maken dat het ontbreken van deze bescheiden niet aan hem is toe te rekenen.
2.2. In de grieven 2 tot en met 4, in onderlinge samenhang bezien, wordt betoogd dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat in het bestreden besluit gemotiveerd is uiteengezet dat en waarom het niet overleggen van reis- of identiteitspapieren, dan wel andere bescheiden, die voor de beoordeling van het asielrelaas noodzakelijk zijn, aan de vreemdeling kan worden toegerekend en voorts dat en waarom geen geloof wordt gehecht aan de door de vreemdeling gestelde Afghaanse nationaliteit.
2.3. Deze grieven slagen. Anders dan waar de voorzieningenrechter kennelijk vanuit is gegaan, stond deze niet voor de vraag of er voldoende gronden zijn om te oordelen dat de vreemdeling niet afkomstig is uit Afghanistan, maar voor de vraag of geoordeeld moet worden dat de staatssecretaris zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling de aan haar aanvraag gelegde feiten en omstandigheden niet aannemelijk heeft gemaakt, als bedoeld in voormeld artikel 31, eerste lid, Vw 2000.
2.4. Niet in geschil is dat de vreemdeling geen reis- of identiteitspapieren, dan wel andere bescheiden heeft overgelegd, die beoordeling van haar aanvraag mogelijk maken. De staatssecretaris heeft in de door haar gestelde feiten en omstandigheden geen gronden hoeven vinden haar de gevolgen daarvan niet toe te rekenen. Voorts heeft de staatssecretaris overwogen dat de vreemdeling antwoorden schuldig is gebleven op eenvoudige vragen over haar reisroute.
Verder heeft de staatssecretaris gemotiveerd aangegeven dat de kennis van de vreemdeling over geografische algemeenheden omtrent Afghanistan, in het bijzonder omtrent haar directe gestelde woonomgeving Jalallabad volstrekt ontoereikend is, evenals haar kennis van bevolking, gebruiken en gewoonten en het regime in dat land. De staatssecretaris heeft voorts vastgesteld dat zij slechts een uiterst summiere kennis heeft van de in Afghanistan gangbare talen.
2.4.1. Er is geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris zich, dit alles in aanmerking nemend, niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij van Afghaanse nationaliteit is, aan haar asielrelaas geen geloof kan worden gehecht en dat een taalanalyse geen meerwaarde kan hebben, nu haar gebrek aan kennis over Afghanistan dermate evident is, dat de uitslag van een dergelijk onderzoek niet van doorslaggevende betekenis kan zijn. Dat de vreemdeling enkele algemene vragen deels wel goed heeft weten te antwoorden, kan hieraan niet afdoen. De voorzieningenrechter heeft ten onrechte overwogen dat de staatssecretaris de aanvraag niet in de AC-procedure mocht afwijzen.
2.5. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Hetgeen in grief 1 is aangevoerd behoeft derhalve geen bespreking. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het besluit van de staatssecretaris de vreemdeling een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, van de Vw 2000 te onthouden de rechterlijke toets aan de hand van de in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden niet kan doorstaan. De Afdeling zal het inleidend beroep derhalve alsnog ongegrond verklaren.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam van 26 juli 2002 in zaak nr. AWB 02/54696;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M. Vlasblom en mr. H. Troostwijk, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Zegveld
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 september 2002
43-344.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State
voor deze,