ECLI:NL:RVS:2002:AE9189
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- M. Oosting
- J.G.C. Wiebenga
- Rechtspraak.nl
Gedeeltelijke vernietiging last onder dwangsom wegens overtreding Lozingenbesluit glastuinbouw
Appellante, een besloten vennootschap, kreeg op 24 juli 2000 lasten onder dwangsom opgelegd door het Hoogheemraadschap van Delfland wegens overtreding van het Lozingenbesluit glastuinbouw. Deze dwangsommen betroffen het lozen op oppervlaktewater zonder de vereiste hemelwateropvangvoorziening. Verweerders trokken de dwangsommen later in nadat appellante een opvangvoorziening had gerealiseerd, maar appellante bleef belang houden bij een oordeel over de rechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat verweerders bevoegd waren om handhavend op te treden en dat het beëindigen van het uitstelbeleid per 1 januari 2000 redelijk was. Echter, het standpunt van verweerders dat appellante geen aanspraak kon maken op het gehanteerde gedoogbeleid was onvoldoende gemotiveerd en in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. Daarom werd het besluit gedeeltelijk vernietigd.
Daarnaast werd het onderzoek heropend voor een nadere uitspraak over de gevorderde schadevergoeding en werden verweerders veroordeeld tot betaling van proceskosten en griffierecht aan appellante. De Afdeling verklaarde het beroep gedeeltelijk gegrond en voor het overige ongegrond.
Uitkomst: Het beroep is gedeeltelijk gegrond verklaard en het besluit tot oplegging van lasten onder dwangsom is voor een deel vernietigd.