ECLI:NL:RVS:2002:AE9208
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- M. Oosting
- J.G.C. Wiebenga
- Rechtspraak.nl
Vernietiging vergunning tijdelijke lozing afvalwater wegens ontbrekende juridische grondslag
Het Dagelijks Bestuur van het Hoogheemraadschap van West-Brabant verleende aan appellante een tijdelijke vergunning voor het lozen van afvalwater en niet-verontreinigd regenwater, waarbij een eerdere vergunning werd ingetrokken. Appellante stelde dat de vergunning ten onrechte slechts voor vijf jaar was verleend, omdat de verplichting tot tijdelijke vergunningverlening uit Richtlijn 76/464/EEG niet was omgezet in nationale wetgeving.
Verweerder verwees naar de Richtlijn en een advies van RIZA om de vergunning tijdelijk te maken vanwege de lozing van schadelijke stoffen zoals cadmium en kwik. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde echter dat de richtlijnbepaling niet rechtstreeks tegenover appellante kon worden ingeroepen en dat de nationale wetgeving geen grondslag bood voor een vergunning van beperkte duur.
Daarom werd het besluit vernietigd en hoefde de Afdeling niet in te gaan op andere bezwaren. Verweerder werd veroordeeld tot betaling van proceskosten en vergoeding van griffierecht. De uitspraak benadrukt het belang van correcte omzetting van Europese richtlijnen in nationale wetgeving voor rechtsgeldige vergunningverlening.
Uitkomst: Het besluit tot verlening van een tijdelijke vergunning voor lozing van afvalwater wordt vernietigd wegens het ontbreken van een juridische grondslag.