ECLI:NL:RVS:2002:AE9275
Raad van State
- Hoger beroep
- R.W.L. Loeb
- E.A. Alkema
- H. Troostwijk
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verblijfsvergunning asiel ondanks gezinsbanden onder Dublinovereenkomst
Appellanten hebben bij besluiten van 5 april 2002 een afwijzing ontvangen op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond. Appellanten stelden in hoger beroep dat zij als gezinsleden van hun ouders moesten worden beschouwd volgens het Besluit 1/2000, waardoor Nederland verantwoordelijk zou zijn voor hun asielaanvragen onder de Dublinovereenkomst.
De Raad van State oordeelde dat Duitsland op grond van de Dublinovereenkomst verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielverzoeken. De rechtbank had terecht geoordeeld dat appellanten niet feitelijk tot het gezin van hun ouders behoren, ongeacht de omstandigheden van hun scheiding. Ook was er geen grond om de staatssecretaris te verwijten dat zij geen gebruik maakte van de bevoegdheid om de asielaanvragen toch te behandelen.
De grief dat appellanten als gezinsleden in de zin van het Besluit 1/2000 moesten worden aangemerkt, faalde omdat appellanten sinds 1998 niet meer samenleefden met hun ouders en de gestelde afhankelijkheid onvoldoende was onderbouwd. Het hoger beroep werd daarom kennelijk ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de asielaanvragen bevestigd.