AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ongegrond beroep tegen goedkeuring bestemmingsplan Zwarte Paard met aanleg fietspad
De gemeenteraad van Alblasserdam stelde op 1 november 2001 het bestemmingsplan Zwarte Paard vast, waarin onder meer de aanleg van een fietspad was voorzien. Gedeputeerde staten van Zuid-Holland keurden dit plan op 7 mei 2002 goed. Appellant maakte bezwaar tegen de goedkeuring van het deel van het plan dat de aanleg van het fietspad mogelijk maakt, stellende dat er onvoldoende ruimte is en dat het fietspad overlast zal veroorzaken. Tevens stelde appellant dat alternatieve routes onvoldoende zijn onderzocht.
De Raad van State overwoog dat de breedte van de groenstrook waarbinnen het fietspad moet worden aangelegd ongeveer 8 meter bedraagt, wat voldoende ruimte biedt. De gemeenteraad had de meest recente kadastrale gegevens gebruikt bij het vaststellen van het plan. Overlast werd niet aannemelijk geacht omdat beplanting als buffer kan dienen en het fietspad op afstand van woningen wordt gerealiseerd. Het bestaan van alternatieven vormt geen reden om goedkeuring te onthouden zonder ernstige bezwaren tegen het plan.
De Raad concludeerde dat gedeputeerde staten de beoordelingsmarge niet hebben overschreden en het recht juist hebben toegepast. Het beroep is ongegrond verklaard en er is geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan Zwarte Paard wordt ongegrond verklaard.
Uitspraak
200203196/1.
Datum uitspraak: 6 november 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
gedeputeerde staten van Zuid-Holland,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 november 2001 heeft de gemeenteraad van Alblasserdam, op voorstel van burgemeester en wethouders van 16 oktober 2001, het bestemmingsplan "Zwarte Paard" vastgesteld.
Het besluit van de gemeenteraad en het voorstel van burgemeester en wethouders zijn aan deze uitspraak gehecht.
Verweerders hebben bij hun besluit van 7 mei 2002, kenmerk DRGG/ARB/01/10795A, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan.
Het besluit van verweerders is aangehecht.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 10 juni 2002, bij de Raad van State ingekomen op 12 juni 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 12 augustus 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 18 oktober 2002, waar appellant, in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door ir. E.J.P. Verheul, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen. Voorts is de gemeenteraad, vertegenwoordigd door M.H.J. Kleverwal, ambtenaar van de gemeente, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het plan heeft betrekking op het gebied Zwarte Paard in de kern Kinderdijk en voorziet onder meer in de aanleg van een fietspad.
bij het bestreden besluit hebben verweerders het plan goedgekeurd.
2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 vanPro de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.
2.3. Appellant heeft aangevoerd dat verweerders ten onrechte het plandeel met de bestemming “Groenvoorzieningen en Water (GW)” hebben goedgekeurd, voorzover dat de aanleg van een fietspad mogelijk maakt tussen de Middelwetering en zijn woning aan de [locatie]. Hij meent dat ter plaatse onvoldoende ruimte is voor het fietspad. Voorts vreest hij voor overlast. Tenslotte heeft hij aangevoerd dat alternatieve routes voor het fietspad onvoldoende zijn onderzocht.
2.3.1. Verweerders hebben geen reden gezien dit gedeelte van het plan in strijd te achten met een goede ruimtelijke ordening en hebben het goedgekeurd.
2.3.2. Ingevolge het streekplan Zuid-Holland Zuid vormt de aanleg van de recreatieve fietsroute langs de Middelwetering een belangrijke schakel in de fietsverbinding tussen de kern Kinderdijk en Alblasserdam.
Blijkens de plankaart bedraagt de breedte van de strook met de bestemming “Groenvoorzieningen en Water (GW)”, ter hoogte van het perceel van appellant ongeveer 8 meter. Binnen deze strook dient het fietspad gerealiseerd te worden. Hoewel de exacte ligging en breedte van het fietspad op de plankaart globaal staan aangegeven, is de Afdeling van oordeel dat de groenstrook voldoende ruimte biedt voor de aanleg van
het fietspad.
Voorzover appellant heeft aangevoerd dat de feitelijke plaatsing van zijn woning niet in overeenstemming is met de situatie zoals weergegeven op de plankaart, stelt de Afdeling vast, zoals ook ter zitting is bevestigd, dat de gemeenteraad bij het ontwerp en vaststelling van het plan is uitgegaan van de meest recente kadastrale gegevens en de plankaart op basis daarvan heeft vastgesteld. De Afdeling ziet, gelet op hetgeen appellant heeft aangevoerd, geen aanleiding om aan de juistheid hiervan te twijfelen.
Dat het gebruik van fietspad zal leiden tot onevenredige overlast acht de Afdeling niet aannemelijk, nu het plan voorziet in de mogelijkheid om tussen het fietspad en het perceel van appellant opgaande beplanting aan
te brengen. Ter zitting is verder namens de gemeenteraad verklaard dat, in overleg met bewoners, het fietspad op een zo groot mogelijke afstand van de woningen zal worden gerealiseerd.
Voorzover appellant wijst op alternatieven, overweegt de Afdeling dat het bestaan daarvan op zichzelf geen grond kan vormen voor het onthouden van goedkeuring aan het bestemmingsplan. Het karakter van de besluitvorming omtrent de goedkeuring brengt immers mee dat alternatieven daarbij in beginsel eerst aan de orde behoeven te komen indien blijkt van ernstige bezwaren tegen het voorgestane gebruik waarop het plan ziet. Verweerders hebben zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat deze situatie zich in dit geval niet voordoet.
2.3.3. Gezien het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.
In hetgeen appellante heeft aangevoerd, ziet de Afdeling geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is voorbereid of genomen in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring hebben verleend aan het plan.
Het beroep is ongegrond.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. A. Kosto, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.