ECLI:NL:RVS:2002:AF0243

Raad van State

Datum uitspraak
13 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200105026/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek
  • J.J. Schuurman
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:24 AwbWet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid beroep tegen uitblijven besluit toevoeging rechtsbijstand

Appellante verzocht om toevoeging rechtsbijstand, welke door de raad voor rechtsbijstand werd afgewezen. Na verschillende procedures stelde de rechtbank het beroep van appellante tegen het administratief beroep gegrond en beval een nieuw besluit. De raad stelde hoger beroep in, dat ongegrond werd verklaard. Appellante stelde vervolgens beroep in tegen het uitblijven van een nieuw besluit, maar dit werd door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard.

In hoger beroep betoogde appellante dat de niet-ontvankelijkverklaring onterecht was. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt echter dat de raad alsnog op het administratief beroep heeft beslist, waardoor appellante geen belang meer heeft bij beoordeling van het uitblijven van een tijdige beslissing. Hoewel de rechtbank op enkele punten onjuiste gronden gebruikte, was de niet-ontvankelijkverklaring terecht.

De Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep van appellante af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen het uitblijven van een nieuw besluit is niet-ontvankelijk verklaard en deze uitspraak is bevestigd.

Uitspraak

200105026/1.
Datum uitspraak: 13 november 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden van 31 augustus 2001 in het geding tussen:
appellante
en
de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 december 1997 heeft het bureau rechtsbijstandvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden een verzoek van appellante om toevoeging als bedoeld in de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb) afgewezen.
Bij besluit van 1 april 1998 heeft de raad voor rechtsbijstand te Leeuwarden (hierna: de raad) het daartegen door appellante ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 28 maart 2000, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, de beslissing op het administratief beroep vernietigd en de raad opgedragen een nieuw besluit te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.
Bij uitspraak van 29 januari 2001 heeft de Afdeling het daartegen door de raad ingestelde hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Bij brief van 5 april 2001 heeft appellante bij de rechtbank beroep ingesteld tegen het uitblijven van een nieuw besluit op het door haar tegen het besluit van 1 december 1997 ingestelde administratief beroep.
Bij uitspraak van 31 augustus 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank dat beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 9 oktober 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 8 november 2001. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 26 juli 2002 heeft de raad van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak op 1 augustus 2002 aan de orde gesteld. Partijen zijn – met bericht – niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het betoog van appellante dat haar beroep van 5 april 2001 ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, faalt. De raad heeft op 21 mei 2001 alsnog op het administratief beroep van appellante beslist, waartegen zij separaat beroep heeft ingesteld. In verband hiermee en omdat overigens van een zodanig belang niet is gebleken, heeft appellante geen processueel belang meer bij een beoordeling van de rechtmatigheid van het uitblijven van een tijdige beslissing op haar administratief beroep.
2.2. Hoewel de rechtbank heeft miskend dat in dit geval van een schriftelijke mededeling als bedoeld in artikel 7:24, zesde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), noch van instemming in de zin van artikel 7:24, zevende lid, van de Awb is gebleken en haar uitspraak in zoverre op onjuiste gronden berust, heeft zij het beroep van appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.M. Ligtelijn-van Bilderbeek, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.J. Schuurman, ambtenaar van Staat.
w.g. Ligtelijn-van Bilderbeek w.g. Schuurman
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 13 november 2002
282-364.