ECLI:NL:RVS:2002:AF0797

Raad van State

Datum uitspraak
20 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200200714/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • P.A. Offers
  • D.A.C. Slump
  • Ch.W. Mouton
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:5 AwbArt. 47 WoningwetArt. 4:7 AwbArt. 4:8 AwbArt. 4:9 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bouwaanvragen wegens onvolledige gegevens en juiste toepassing bestuursrechtelijke bevoegdheid

Utrecht Real Estate B.V. diende zestien bouwaanvragen in voor woningen met opslagruimte en kassen. Burgemeester en wethouders van Haaren besloten deze niet in behandeling te nemen omdat niet alle voorgeschreven gegevens en bescheiden waren overgelegd. Appellante kreeg een termijn van veertien dagen om de ontbrekende stukken aan te vullen, maar de aangeleverde stukken voldeden niet aan de gestelde eisen, met name het bodemonderzoeksrapport voldeed niet aan de vereiste norm NVN 5740.

De rechtbank verklaarde het beroep van Utrecht Real Estate B.V. ongegrond en de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Raad stelt dat burgemeester en wethouders bevoegd zijn om een aanvraag niet te behandelen indien de gegevens onvoldoende zijn voor beoordeling, mits de aanvrager een redelijke termijn krijgt om aan te vullen. De termijn van twee weken die was gesteld, voldoet aan de wettelijke eis van vier weken.

Verder oordeelt de Raad dat het bodemonderzoek essentieel is voor de beoordeling en dat het niet voldoen aan de norm een gegronde reden is om niet te beslissen op de aanvraag. Het standpunt van appellante dat zij na afloop van de aanvultijd nog stukken mocht overleggen wordt verworpen. Ook is geen sprake van oneigenlijk gebruik van bevoegdheid door burgemeester en wethouders. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de bouwaanvragen wordt bevestigd.

Uitspraak

200200714/1.
Datum uitspraak: 20 november 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Utrecht Real Estate B.V.”, gevestigd te Haaren,
appellante,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch van 18 december 2001 in het geding tussen:
appellante
en
burgemeester en wethouders van Haaren.
1. Procesverloop
Bij brief van 10 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders van Haaren (hierna: burgemeester en wethouders) appellante meegedeeld te hebben besloten zestien door haar ingediende aanvragen voor de bouw van zestien woningen met opslagruimte en kassen op percelen aan de [locaties] te [plaats], gemeente Haaren, en aan de [locatie] te [plaats], gemeente Haaren, niet te behandelen.
Bij besluit van 5 september 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie behandeling bezwaar- en beroepschriften van 27 juli 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 18 december 2001, verzonden op 27 december 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 5 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 6 februari 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 7 maart 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 28 mei 2002 heeft [partij] van antwoord gediend. Bij brief van 18 juni 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 oktober 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, is verschenen. Voorts is als partij gehoord [partij], vertegenwoordigd door mr. K.W.H. Albert, advocaat te Boxtel.
2. Overwegingen
2.1. Ten behoeve van de bouw van zestien afzonderlijke woningen met opslagruimte en kassen heeft appellante op 2 februari 2000 zestien bouwaanvragen bij burgemeester en wethouders ingediend. Bij brief van 11 februari 2000 hebben burgemeester en wethouders appellante bericht dat bij de bouwaanvraag niet alle voorgeschreven gegevens en bescheiden zijn overgelegd. De ontbrekende gegevens/bescheiden zijn op de bij deze brief gevoegde lijst nader aangegeven. Burgemeester en wethouders hebben appellante in de gelegenheid gesteld binnen veertien dagen deze stukken alsnog bij hen in te dienen. Op 25 februari 2000 heeft appellante nader stukken bij burgemeester en wethouders ingediend. Bij brief van 10 maart 2000 hebben burgemeester en wethouders haar meegedeeld dat niet alle in de brief van 11 februari 2000 bedoelde gegevens/bescheiden zijn overgelegd, zodat zij hebben besloten de aanvragen niet in behandeling te nemen.
2.2. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht kan een bestuursorgaan besluiten een aanvraag niet in behandeling te nemen indien de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag of indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
Ingevolge artikel 47, eerste lid, van de Woningwet kan van de in artikel 4:5 van Pro de Algemene wet bestuursrecht geregelde bevoegdheid om de aanvraag wegens onvolledigheid niet te behandelen, slechts gebruik worden gemaakt indien de aanvrager binnen vier weken na ontvangst van de aanvraag in de gelegenheid is gesteld de aanvraag aan te vullen. De door burgemeester en wethouders ingevolge dat artikel te stellen termijn bedraagt twee weken.
2.3. Appellante betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat burgemeester en wethouders een oneigenlijk gebruik hebben gemaakt van de aan hen ingevolge de artikelen 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht en 47 van de Woningwet toekomende bevoegdheid bouwaanvragen niet in behandeling te nemen.
2.4. Dit betoog faalt. Burgemeester en wethouders kunnen besluiten een bouwaanvraag niet te behandelen indien de verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Een dergelijk besluit houdt een vereenvoudigde afdoening in, omdat hierbij de artikelen 4:7 tot en met 4:12 van de Algemene wet bestuursrecht, welke artikelen zien op de voorbereiding van en besluit op een aanvraag, niet van toepassing zijn. De in rechtsoverweging 2.2 genoemde bepalingen staan, naar de rechtbank met juistheid heeft overwogen, niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling van de bij de bouwaanvraag overgelegde gegevens en bescheiden. Burgemeester en wethouders dienen immers te beoordelen of deze stukken voldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Een inhoudelijke beoordeling van deze stukken dient te worden onderscheiden van een inhoudelijke beoordeling van de vraag of naar aanleiding van de aanvraag een bouwvergunning kan worden verleend.
2.5. Appellante betoogt voorts dat het overgelegde bodemonderzoeksrapport van “Oranjewoud B.V.” van maart 2000 voldoende is om op de bouwaanvraag te kunnen beslissen.
2.6. Dit betoog faalt. Ingevolge artikel 2.1.5 van de gemeentelijke Bouwverordening dient bij de bouwaanvraag een onderzoeksrapport te worden overgelegd inzake de gesteldheid van de bodem. Dit rapport bestaat uit de resultaten van een recent verkennend onderzoek verricht volgens bijlage A van NVN 5740, uitgave 1991. Burgemeester en wethouders hebben appellante hier bij hun brief van 11 februari 2000 op gewezen. Het onderzoeksrapport van “Oranjewoud B.V.” van maart 2000 voldoet niet aan deze eis, aangezien het niet is uitgevoerd volgens NVN 5740, maar volgens NEN 5740. Bovendien voldoet het onderzoek niet geheel aan de eisen die daaraan in de NVN 5740 zijn gesteld. Zo blijkt uit het rapport van”Fugro Milieu Consult B.V.” van 25 mei 2000, waarin de resultaten zijn neergelegd van op verzoek van burgemeester en wethouders verrichte bodemonderzoeken en waarin de uitkomsten van deze onderzoeken zijn getoetst aan de NVN 5740, dat onder meer enkele analysecertificaten van grond, grondwater en het ondergrondmonster, gegevens aangaande EOX-concentraties in de grond en analyseresultaten EOX (grond) ontbreken. Aangezien het bodemonderzoek met name wordt verlangd uit een oogpunt van gezondheid, in die zin dat het bouwen op verontreinigde grond zoveel mogelijk moet worden voorkomen, konden burgemeester en wethouders zich op het standpunt stellen dat de gebreken in de uitvoering van dit onderzoek essentieel zijn voor de beoordeling van de door appellante ingediende aanvraag, zodat zij geen beslissing konden nemen op die aanvraag. Dat de NEN 5740 op onderdelen verder gaat dan de NVN 5740 en dat burgemeester en wethouders beide normen niet met elkaar hebben vergeleken maakt dit niet anders. Appellante had deze gang van zaken kunnen voorkomen door voorafgaand aan de indiening van de bouwaanvraag overleg met burgemeester en wethouders te voeren. Dat dit overleg niet verplicht is doet hieraan niet af. De rechtbank is tot hetzelfde oordeel gekomen.
2.7. Appellante betoogt dat de rechtbank ten onrechte tot het oordeel is gekomen dat appellante na de beslissing op de bouwaanvraag geen aanvullende stukken meer kon overleggen teneinde de bouwaanvraag volledig te maken.
2.8. Gelijk de Afdeling eerder heeft overwogen in haar uitspraak van 4 januari 2001, Gst. 7143, 5, zijn burgemeester en wethouders niet gehouden om, nadat de termijn die voor het aanvullen van een aanvraag is gesteld is verstreken, aanvullingen op die aanvraag te aanvaarden. Een andersluidend oordeel zou ertoe leiden dat aan een voor de aanvulling gestelde termijn zou kunnen worden ontkomen en dat aan het stellen van die termijn derhalve geen betekenis meer zou toekomen. Aangezien in het voorliggende geval niet is gebleken van omstandigheden die nopen tot het aanvaarden van de aanvulling na de voor het indienen ervan gestelde termijn, faalt het betoog van appellante.
2.9. Gelet op het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat hetgeen appellante overigens heeft aangevoerd – wat daar ook van zij – geen nadere bespreking behoefde.
2.10. Voorzover appellante betoogt dat burgemeester en wethouders hun bevoegdheid de door haar ingediende bouwaanvraag niet te behandelen voor een ander doel hebben gebruikt dan waarvoor die bevoegdheid is verleend, is de Afdeling, mede gelet op het hiervoor overwogene, van oordeel dat niet aannemelijk is gemaakt dat burgemeester en wethouders een onjuist gebruik hebben gemaakt van deze in artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht neergelegde bevoegdheid. Dit betoog faalt derhalve.
2.11. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. P.A. Offers, Voorzitter, en mr. D.A.C. Slump en mr. Ch.W. Mouton, Leden, in tegenwoordigheid van mr. L. Groenendijk, ambtenaar van Staat.
w.g. Offers w.g. Groenendijk
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2002
164.