AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging uitspraak rechtbank over vergoeding reistijd en reiskosten rechtsbijstandsverleners
Appellante stelde beroep in tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, waarin werd geoordeeld dat vergoeding voor reistijd en reiskosten aan rechtsbijstandsverleners slechts kan worden toegekend indien het om werkelijk gemaakte kosten gaat en dat deze vergoeding slechts eenmaal per zaak kan worden toegekend.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft het hoger beroep behandeld en overwogen dat de forfaitaire vergoeding, zoals vastgelegd in artikel 24, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000, inhoudt dat per volle gereisde 60 kilometer een halve punt wordt toegekend. Deze forfaitaire vergoeding betekent niet dat meerdere vergoedingen voor dezelfde reistijd of reiskosten kunnen worden toegekend.
De Afdeling volgt de rechtbank in haar oordeel dat het besluit niet in strijd is met de Wet op de rechtsbijstand (Wrb) en het Besluit vergoedingen rechtsbijstand (Bvr). Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200202771/1.
Datum uitspraak: 20 november 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellante], kantoorhoudend te [plaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 27 maart 2002 in het geding tussen:
appellante
en
de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage.
1. Procesverloop
Bij besluit van 3 juli 2000 heeft het bureau rechtsbijstandsvoorziening van de raad voor rechtsbijstand te 's-Gravenhage aan appellante een vergoeding toegekend van ƒ 794,30 onder mededeling dat de gedeclareerde kilometers zijn vergoed op toevoegnummer 3CA9785.
Bij besluit van 6 december 2000 heeft de raad voor rechtsbijstand te ’s-Gravenhage (hierna: de raad) het daartegen door appellante ingestelde administratief beroep ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de Commissie bezwaar en beroep van 9 november 2000, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 27 maart 2002, verzonden op 10 april 2002, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 22 mei 2002, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde dag, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 21 juni 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 27 juni 2002 heeft de raad een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting aan de orde gesteld op 7 november 2002.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 37, eerste lid, van de Wet op de rechtsbijstand (hierna: de Wrb), voorzover hier van belang, ontvangen rechtsbijstandsverleners voor de door hen op basis van een toevoeging verleende rechtsbijstand een vergoeding volgens regels te stellen bij algemene maatregel van bestuur.
Ingevolge het derde lid van dit artikel, voorzover hier van belang, kunnen bij de in het eerste lid bedoelde algemene maatregel van bestuur nadere regels worden opgesteld omtrent de vaststelling van de vergoeding.
Ingevolge artikel 41, eerste lid, van de Wrb worden bij de in artikel 37, eerste lid, bedoelde algemene maatregel van bestuur regels gesteld omtrent de kosten die ten behoeve van de zaak zijn gemaakt en die door de rechtsbijstandverlener in rekening mogen worden gebracht.
Ingevolge artikel 24, eerste lid, van het Besluit vergoedingen rechtsbijstand 2000 (hierna: het Bvr), voorzover hier van belang, wordt voor het tijdverlet in verband met reizen ten behoeve van de verlening van rechtsbijstand, uitgaande van de totale afstand die is afgelegd bij reizen naar de zitting, per volle gereisde 60 kilometer een halve punt toegekend.
Ingevolge artikel 25, eerste lid, van het Bvr, voorzover hier van belang, wordt voor de kosten die worden gemaakt voor reizen naar de zitting een kilometervergoeding toegekend overeenkomstig de vergoeding die krachtens artikel 8 vanPro het Reisbesluit binnenland wordt verleend.
2.2. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat uit de tekst van artikelen 24, eerste lid, en 25, eerste lid, van het Bvr volgt dat een vergoeding wegens reistijdverlet en reiskosten alleen kan worden toegekend indien het een vergoeding voor werkelijk gemaakte kosten betreft.
2.3. Appellante betoogt dat de vergoeding een forfaitaire is en dat zij derhalve recht heeft op die vergoeding, ook al heeft zij die vergoeding reeds in een andere zaak gekregen. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat een forfaitaire vergoeding voor een rechtsbijstandsverlener meestal ongunstig uitpakt en dat de kilometervergoeding bij lange na niet kostendekkend is. Zij betoogt voorts dat het besluit in strijd is met de letterlijke tekst van de Wbr en het Bvr, nu die tekst noopt tot toekenning van de gevraagde vergoeding.
2.4. De rechtbank is op goede gronden - mede onder verwijzing naar de, bij partijen bekende, uitspraak van de Afdeling van 7 november 2001 in zaak no. 200102022/1 - tot haar oordeel gekomen. Het forfaitaire van de vergoeding als bedoeld in artikel 24, eerste lid, van het Bvr, is slechts hierin gelegen dat per volle gereisde 60 kilometer een halve punt wordt toegekend. Voor een zitting gemaakte reiskosten en reistijdverlet komen slechts eenmaal voor vergoeding in aanmerking. Van strijd met (de artikelen 37 en 41 van de) Wrb en het Bvr is geen sprake. Met overneming van hetgeen de rechtbank heeft overwogen, komt de Afdeling dan ook niet tot een ander oordeel.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. W. van den Brink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.P. Hoogenboom, ambtenaar van Staat.