ECLI:NL:RVS:2002:AF0841

Raad van State

Datum uitspraak
20 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200202484/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • D.A.C. Slump
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:41 AwbArt. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:11 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaarschrift wegens te late indiening

Appellanten hebben bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van hun verzoek om aangiften inkomsten- en vermogensbelasting over meerdere jaren. De staatssecretaris had het verzoek afgewezen en het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten tegen deze besluiten niet-ontvankelijk wegens te late indiening van het bezwaarschrift.

Appellanten voerden aan dat het besluit van 10 mei 2000 hen pas op 30 juni 2000 had bereikt, waardoor de termijn voor bezwaar nog niet was verstreken. De Raad van State oordeelde dat het besluit op de juiste wijze was bekendgemaakt door verzending op 10 mei 2000, waardoor de termijn op 21 juni 2000 eindigde. Het bezwaarschrift, gedateerd 24 juli 2000 en per fax verzonden op 25 juli 2000, was derhalve te laat.

De Raad van State vond geen reden om het verzuim van appellanten niet aan te merken als verzuim, ook niet bij aanneming van een vertraging in de postbezorging. Het hoger beroep is daarom ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift bevestigd.

Uitspraak

200202484/1.
Datum uitspraak: 20 november 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Amsterdam van 22 maart 2002 in het geding tussen:
appellanten
en
de Staatssecretaris van Financiën.
1. Procesverloop
Bij besluit van 10 mei 2000 heeft de Staatssecretaris van Financiën (hierna: de staatssecretaris) het verzoek van appellanten om de aangiften inkomstenbelasting over de jaren 1996, 1997, 1998 en de aangiften vermogensbelasting 1996, 1997 en 1998 te overleggen, afgewezen.
Bij besluit van 4 september 2000 heeft de staatssecretaris het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 22 maart 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 2 mei 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 2 juli 2002 heeft de staatssecretaris van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 oktober 2002, waar de staatssecretaris, vertegenwoordigd door mr. J.Th.W. van Ravenstein, ambtenaar van het Ministerie van Financiën, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 3:41 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voorzover van belang, geschiedt de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht door toezending of uitreiking aan hen.
Ingevolge artikel 6:7 van Pro de Algemene wet bestuursrecht bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.
Ingevolge artikel 6:8 van Pro de Awb vangt de termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt.
Ingevolge artikel 6:11 van Pro de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
2.2. Appellanten bestrijden het oordeel van de rechtbank dat het door appellanten ingediende bezwaarschrift, gedateerd 24 juli 2000 en op 25 juli 2000 per fax verzonden, door de staatssecretaris terecht niet-ontvankelijk is verklaard. De gemachtigde heeft gesteld dat het besluit van 10 mei 2000 hem eerst op 30 juni 2000 heeft bereikt. Gelet hierop dient eerst de vraag te worden beantwoord of dit besluit op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt als hiervoor bedoeld.
2.3. De staatssecretaris stelt dat het besluit van 10 mei 2000 nog diezelfde dag per post is verzonden naar de gemachtigde van appellanten. De Afdeling acht dit niet onaannemelijk, in aanmerking nemend de juiste tenaamstelling en adressering en gezien de hierop door de staatssecretaris ter zitting gegeven toelichting. Dit betekent dat de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift eindigde op 21 juni 2000. Het bezwaarschrift, dat was gedateerd op 24 juli 2000 en op 25 juli 2000 per fax is verzonden, is derhalve ruimschoots buiten de daarvoor in artikel 6:7 van Pro de Awb gestelde termijn ingediend.
2.4. De Afdeling ziet geen grond voor het oordeel dat de te late indiening van het bezwaarschrift redelijkerwijs niet als verzuim kan worden aangemerkt. Ook indien wordt aangenomen dat door een vertraging in de postbezorging de gemachtigde van appellanten eerst op 30 juni 2000 van het besluit van 10 mei 2000 heeft kunnen kennisnemen - hetgeen appellanten overigens niet aannemelijk hebben gemaakt aan de hand van bijvoorbeeld een kopie van de enveloppe waarin het besluit zich bevond -, moet worden vastgesteld dat appellanten eerst drie weken na de gestelde ontvangstdatum een bezwaarschrift hebben ingediend. In hetgeen appellanten hebben aangevoerd ziet de Afdeling geen feiten en omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de te late indiening van het bezwaarschrift redelijkerwijs niet als verzuim kan worden aangemerkt. De rechtbank is dan ook tot de juiste conclusie gekomen.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.E.A. Matulewicz, ambtenaar van Staat.
w.g. Slump w.g. Matulewicz
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2002
45-393.