ECLI:NL:RVS:2002:AF0849

Raad van State

Datum uitspraak
20 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200106180/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:73 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging handhaving bestuursdwang voor illegale bouwwerken in agrarisch gebied

Appellant werd door burgemeester en wethouders van Margraten aangesproken om illegale bouwwerken, waaronder een overkapping, twee schoorstenen en een schuilhut, binnen vier weken af te breken en te verwijderen. Na bezwaar en beroep verklaarden de bestuursrechter en vervolgens de Raad van State het handhavingsbesluit terecht en gegrond.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de bouwwerken zonder vereiste bouwvergunning waren opgericht in een agrarisch gebied waar bouwen niet is toegestaan. Appellant had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de aanschrijving onduidelijk was of dat bijzondere omstandigheden bestonden die handhaving in de weg stonden. De rechtbank had terecht geoordeeld dat geen zicht was op legalisering en dat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalde wegens onvoldoende onderbouwing.

De Raad van State bevestigde het eerdere oordeel dat het bestuursorgaan bevoegd was tot bestuursdwang en dat de termijn voor afbraak niet te kort was. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het handhavingsbesluit bevestigd.

Uitspraak

200106180/1.
Datum uitspraak: 20 november 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Maastricht van 6 november 2001 in het geding tussen:
appellant
en
burgemeester en wethouders van Margraten.
1. Procesverloop
Bij besluit van 28 april 1999 hebben burgemeester en wethouders van Margraten (hierna: burgemeester en wethouders) appellant onder aanzegging van bestuursdwang aangeschreven een overkapping, twee schoorstenen op een stal en een schuilhut op de percelen, kadastraal bekend gemeente Noorbeek gelegen aan de [locatie] te [plaats], binnen vier weken volledig af te breken en te verwijderen.
Bij besluit van 11 januari 2000 hebben burgemeester en wethouders het daartegen door appellant gemaakte bezwaar deels gegrond en deels ongegrond verklaard en het besluit van 28 april 1999 gehandhaafd. Dit besluit en het advies van de Intergemeentelijke Adviescommissie Bezwaar- en Beroepschriften van 16 september 1999, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 6 november 2001, verzonden op dezelfde dag, heeft de arrondissementsrechtbank te Maastricht (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 13 december 2001, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 11 februari 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 14 maart 2002 hebben burgemeester en wethouders van antwoord gediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 juli 2002, waar burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. R.P.H. Sangers, gemachtigde, zijn verschenen. Appellant is met bericht niet verschenen.
2. Overwegingen
2.1 De Afdeling heeft in haar uitspraak van 11 januari 1999 in zaak no. H01.98.1104 geoordeeld dat burgemeester en wethouders appellant op straffe van een drietal dwangsommen mochten gelasten de twee schoorstenen, de overkapping en de schuilhutgelegenheid af te breken en te verwijderen.
2.2 Burgemeester en wethouders hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat ten tijde van het besluit van 28 april 1999 tot toepassing van bestuursdwang genoemde bouwwerken intact waren. Appellant is eerst naar aanleiding van dit besluit tot afbraak overgegaan, met dien verstande dat een deel van de overkapping is blijven staan. Hij heeft evenwel de daarbij vrijgekomen materialen niet verwijderd.
2.3 Appellant kan niet worden gevolgd in zijn stelling dat de aanschrijving onvoldoende duidelijk is en twijfel laat over wat van hem wordt verlangd.
2.4 De Afdeling heeft in voormelde uitspraak overwogen dat voor genoemde bouwwerken bouwvergunning was vereist en dat burgemeester en wethouders, bij gebreke daarvan, bevoegd waren tot het doen uitgaan van de aanschrijving. Dit geldt ook voorzover deze betrekking heeft op de bij de afbraak vrijkomende materialen. Thans bestaat geen aanleiding hierover anders te oordelen. De vraag of de opslag van de materialen op het perceel tevens kan worden aangemerkt als een overtreding van de in het bestemmingsplan opgenomen gebruiksvoorschriften kan derhalve in het midden worden gelaten.
2.5 Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie.
2.6 Ingevolge het bestemmingsplan “Buitengebied 1996” rust op het betrokken perceel de bestemming “Agrarisch gebied met landschappelijke en/of natuurlijke waarden”. Ingevolge artikel 8 van Pro de planvoorschriften mag hier niet worden gebouwd. De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat geen zicht bestond op legalisering. Dat, naar appellant stelt, een kleinere overkapping wel zonder bouwvergunning mag worden gerealiseerd, doet hieraan niet af.
2.7 Het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt, reeds omdat appellant dit onvoldoende heeft onderbouwd.
2.8 Gelet op het vorenstaande en gezien hetgeen appellant overigens naar voren heeft gebracht, heeft de rechtbank terecht overwogen dat niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan burgemeester en wethouders van optreden hadden moeten afzien.
2.9 Tot slot kan, mede in aanmerking nemende de eerder door burgemeester en wethouders opgelegde last, niet worden geoordeeld dat de begunstigingstermijn te kort is om de verlangde maatregelen te treffen.
2.10 Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.11 Nu de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard, bestaat geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 8:73 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. Het daartoe strekkende verzoek dient derhalve te worden afgewezen.
2.12 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. P. van Dijk, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Dijk w.g. Haan
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2002
201-397.