ECLI:NL:RVS:2002:AF1144

Raad van State

Datum uitspraak
27 november 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200201162/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • R. Cleton
  • R.D. van Onselen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 28 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 10:27 Algemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep ongegrond tegen goedkeuring bestemmingsplan voor prieel in buitengebied

De gemeenteraad van Westerveld stelde een bestemmingsplan vast voor de gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan buitengebied Vledder, waarin onder meer de legalisering en uitbreiding van een prieel op een woonperceel werd voorzien. Verweerders keurden dit plan goed. Appellant, wonende nabij het perceel, stelde beroep in tegen dit besluit en voerde aan dat het prieel illegaal was gebouwd, dat het plan precedentwerking zou veroorzaken, dat het de verstedelijking van het buitengebied bevordert en dat het zijn uitzicht en privacy schaadt.

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het bestemmingsplan de feitelijke situatie correct vastlegt en dat de verruiming van het bebouwingsvlak met 6 meter slechts in zeer geringe mate het buitengebied aantast. Er was geen aantoonbare aantasting van landschappelijke waarden, uitzicht of persoonlijke levenssfeer van appellant. Verweerders hadden hun beoordelingsmarge niet overschreden en het plan was niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening.

Daarom werd het beroep ongegrond verklaard en werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak bevestigt het belang van een zorgvuldige belangenafweging bij bestemmingsplannen en de ruime beoordelingsvrijheid van bestuursorganen bij ruimtelijke ordening.

Uitkomst: Het beroep tegen de goedkeuring van het bestemmingsplan voor het prieel wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

200201162/1.
Datum uitspraak: 27 november 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
[appellant], wonend te [woonplaats],
en
gedeputeerde staten van Drenthe,
verweerders.
1. Procesverloop
Bij besluit van 31 mei 2001 heeft de gemeenteraad van Westerveld het bestemmingsplan “Gedeeltelijke herziening van het bestemmingsplan buitengebied Vledder voor het perceel [locatie]” vastgesteld.
Verweerders hebben bij hun besluit van 4 december 2001, kenmerk 6.2/2001005494, beslist over de goedkeuring van het bestemmingsplan. Het besluit van verweerders is aangehecht.
Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 22 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 25 februari 2002, beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 22 maart 2002 hebben verweerders een verweerschrift ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 september 2002, waar appellant in persoon, en verweerders, vertegenwoordigd door C. Schaafsma, ambtenaar der provincie, zijn verschenen. Tevens is daar namens de gemeenteraad van Westerveld, J.J. Zwier, ambtenaar der gemeente, verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het plan heeft betrekking op het woonperceel [locatie] te [plaats] en voorziet in de verruiming van het bestemmingsvlak tot de kadastrale grens van het aangrenzende perceel.
Verweerders hebben bij het bestreden besluit goedkeuring aan het plan verleend.
2.2. Aan de orde is een geschil inzake een besluit omtrent de goedkeuring van een bestemmingsplan. Ingevolge artikel 28, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening in samenhang met artikel 10:27 van Pro de Algemene wet bestuursrecht rust op verweerders de taak om - in voorkomend geval mede op basis van de ingebrachte bedenkingen - te bezien of het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. Daarbij dienen zij rekening te houden met de aan de gemeenteraad toekomende vrijheid om bestemmingen aan te wijzen en voorschriften te geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. Daarnaast hebben verweerders er op toe te zien dat het plan en de totstandkoming daarvan niet in strijd zijn met het recht.
De Afdeling kan slechts tot vernietiging van het besluit omtrent goedkeuring van het plan overgaan, indien moet worden geoordeeld dat verweerders de aan hen toekomende beoordelingsmarges hebben overschreden, dan wel dat zij het recht anderszins onjuist hebben toegepast.
2.3. Appellant stelt zich op het standpunt dat verweerders ten onrechte goedkeuring aan het plan hebben verleend. Appellant woont aan de [locatie 1] en kan zich niet verenigen met de in het plan opgenomen mogelijkheid om een prieel te vestigen op het perceel [locatie]. Samengevat komen zijn bezwaren erop neer dat het prieel illegaal tot stand is gekomen, tot precedentwerking aanleiding geeft en een onjuiste maatvoering omvat. Voorts bevordert het de verstedelijking van het buitengebied en leidt het tot een beperking van zijn uitzicht en privacy.
2.4. Verweerders hebben geen reden gezien het plan in strijd met een goede ruimtelijke ordening te achten en hebben het plan goedgekeurd. Zij stellen zich op het standpunt dat het bestemmingsplan de feitelijke situatie ter plaatse correct vastlegt. Het plan houdt verband naar verweerders hebben gesteld met een rechterlijke uitspraak omtrent een gebouwd prieel op het perceel [locatie] te [plaats]. Verweerders zijn verder op uitgebreide wijze ingegaan op de bezwaren van appellant.
2.5. Het bestemmingsplan ziet op de legalisering van een prieel aan de [locatie] dat sinds 1997 aanwezig is. Blijkens de stukken is het prieel illegaal tot stand gekomen. Het voorliggende plan voorziet in de vervanging en vergroting van het bebouwingsvlak in westelijke richting met 6 meter met de bestemmingen “eengezinshuizen, karakteristieke open bebouwing” en “tuin”. Het plan bevat een aanvulling ten opzichte van de zogenoemde plandeelvergroting nr 10 zoals deze is opgenomen in het bestemmingsplan “Buitengebied” van de voormalige gemeente Vledder.
Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat tussen bedoeld perceel en het perceel van appellant een onbebouwde strook overblijft van 10 meter. Dit betekent in aanmerking genomen de omvang van het prieel van 11 m2 dat van een vermindering van het areaal ten behoeve van het buitengebied slechts in zeer geringe mate sprake is. Verder is niet gebleken dat de oppervlakte van de bebouwing op het perceel niet in overeenstemming is met de van toepassing verklaarde planvoorschriften uit voornoemd bestemmingsplan voor het buitengebied. Gelet hierop hebben verweerders aangenomen dat een verruiming van het vlak ten behoeve van de woonfunctie niet in strijd met een goede ruimtelijke ordening is. Hierbij is tevens in aanmerking genomen dat niet aannemelijk is geworden dat door de aanwezigheid van het prieel het uitzicht voor appellant op betekenisvolle wijze is aangetast dan wel dat een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer plaatsvindt. Ook is niet gebleken dat afbreuk wordt gedaan aan de aanwezige landschappelijke waarden.
2.6. Gelet op het vorenstaande hebben verweerders zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat het plan niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. In hetgeen appellant heeft aangevoerd, ziet de Afdeling evenmin aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit anderszins is genomen of voorbereid in strijd met het recht. Hieruit volgt dat verweerders terecht goedkeuring aan het plan hebben verleend.
Het beroep is ongegrond.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R. Cleton, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. R.D. van Onselen, ambtenaar van Staat.
w.g. Cleton w.g. van Onselen
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2002
178-416