ECLI:NL:RVS:2002:AF1781

Raad van State

Datum uitspraak
11 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200201616/1
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • J.A.E. van der Does
  • B. van Wagtendonk
  • E.A. Alkema
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 2 Wet aanleg Locaalspoor- en Tramwegen
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging niet-ontvankelijkheid bezwaar tegen besluit minister over toepassing Wet aanleg Locaalspoor- en Tramwegen

De Vereniging Eigenarenplatform Winkelcentrum Boulevard Zuid (appellante) maakte bezwaar tegen een brief van de minister van Verkeer en Waterstaat waarin werd meegedeeld dat voor de aanleg van de Carnisselandelijn geen concessie vereist was en de Wet aanleg Locaalspoor- en Tramwegen niet van toepassing was. De minister verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk, en de rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep ongegrond.

Appellante stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft vastgesteld dat het schrijven van de minister van 18 april 2000 niet gericht was op een rechtsgevolg, maar een informatief karakter had als reactie op een verzoek om informatie. De bevoegdheid tot vergunningverlening lag immers bij gedeputeerde staten, niet bij de minister.

De Afdeling bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het hoger beroep ongegrond. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak werd in het openbaar gedaan op 11 december 2002.

Uitkomst: De Raad van State bevestigt dat het bezwaar niet-ontvankelijk is omdat het ministeriële schrijven geen besluit met rechtsgevolg is.

Uitspraak

200201616/1.
Datum uitspraak: 11 december 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
Vereniging Eigenarenplatform Winkelcentrum Boulevard Zuid, gevestigd te Rotterdam,
appellante,
tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 7 februari 2002 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Verkeer en Waterstaat.
1. Procesverloop
Bij schrijven van 18 april 2000 heeft de Minister van Verkeer en Waterstaat (hierna: de minister) appellante onder meer medegedeeld dat voor de aanleg van de Carnisselandelijn geen concessie, zoals bedoeld in de Locaalspoor- en Tramwegwet is vereist en dat dientengevolge de Wet aanleg Locaalspoor- en Tramwegen niet van toepassing is.
Bij besluit van 30 mei 2001 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 7 februari 2002, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank te Rotterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 13 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 18 maart 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 15 mei 2002 heeft de minister een memorie van antwoord ingediend.
Na afloop van het vooronderzoek is een nader stuk ontvangen van appellante. Dit is aan de minister toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 augustus 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.H. van Meurs, advocaat te Rotterdam, en de minister, vertegenwoordigd door mr. J. van der Heul zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.
Onder rechtshandeling, als vorenbedoeld, wordt een handeling verstaan die is gericht op enig rechtsgevolg.
2.2. De brief van de minister van 18 april 2000 was een reactie op een brief van appellante waarin zij in algemene termen verzocht te worden ingelicht over de stand van zaken bij de voorbereiding van door de minister te nemen besluiten. Tevens werd afschrift van die besluiten gevraagd zodat appellante zou kunnen bezien of zij zich daartegen in rechte zou willen verzetten. De minister mocht die brief opvatten als een verzoek om informatie, zulks temeer omdat, zoals ook bij de beslissing op bezwaar van 30 mei 2001 is aangegeven, op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet aanleg Locaalspoor- en Tramwegen niet de minister maar gedeputeerde staten bevoegd zijn tot vergunningverlening. Dat de minister in het schrijven van 18 april 2000 toch op de toepassing van deze wet is ingegaan geeft blijk van het informatieve karakter van dit schrijven. Gelet op het vorenstaande was het schrijven van 18 april 2000 niet gericht op rechtsgevolg en heeft de minister appellante terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaren.
2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. J.A.E. van der Does, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. E.A. Alkema, Leden, in tegenwoordigheid van mr. P.M.M. de Leeuw-van Zanten, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Does w.g. De Leeuw-van Zanten
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 11 december 2002
45-402.