Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2002:AF2091

Raad van State

Datum uitspraak
18 december 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200204111/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Lubberdink
  • I. Sluiter
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:72 AwbArt. 19 Wet op de Ruimtelijke OrdeningArt. 46 Woningwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep tegen weigering bouwvergunning wegens ontbrekende vrijstelling Wro

Appellant had bij burgemeester en wethouders van Drimmelen een vergunning aangevraagd voor het bouwen van een woning en het veranderen van een woning tot berging op een perceel. Deze vergunning werd verleend, maar na bezwaar verklaarde het college het bezwaar ongegrond. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en vernietigde het besluit, waarbij zij zelf de vergunning weigerde zonder te onderzoeken of een vrijstelling op grond van artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening (Wro) mogelijk was.

De Raad van State oordeelt dat de rechtbank ten onrechte zonder voorafgaande beoordeling van de mogelijkheid tot vrijstelling zelf de vergunning heeft geweigerd. Volgens artikel 46, derde lid, van de Woningwet had eerst moeten worden onderzocht of de gemeenteraad van Drimmelen bevoegd was een vrijstelling te verlenen. De rechtbank mocht niet zelf in de plaats van het college treden en de vergunning weigeren.

Daarom wordt het hoger beroep gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover het gebruik maakte van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, en wordt het college opgedragen een nieuw besluit te nemen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De gemeente dient het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het vonnis van de rechtbank vernietigd, het college dient een nieuw besluit te nemen.

Uitspraak

200204111/1.
Datum uitspraak: 18 december 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 10 mei 2002 in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
burgemeester en wethouders van Drimmelen.
1. Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2001 hebben burgemeester en wethouders van Drimmelen (hierna: burgemeester en wethouders) aan appellant de door hem op 19 december 2000 gevraagde vergunning verleend voor het oprichten van een woning en het veranderen van een woning tot berging op het perceel [locatie].
Bij besluit van 25 juli 2001 hebben burgemeester en wethouders het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit en het advies van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften van 11 juli 2001, waarnaar in het besluit wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 10 mei 2002, verzonden op 21 juni 2002, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep gegrond verklaard, de bestreden beslissing op bezwaar vernietigd, het besluit van burgemeester en wethouders van Drimmelen van 6 februari 2001 herroepen en geweigerd de op 6 februari 2001 verleende tweede gewijzigde bouwvergunning voor het bouwen van een woning en het verbouwen van een woning tot berging op het perceel [locatie]. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 juli 2002, bij de Raad van State ingekomen op 30 juli 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 26 november 2002, waar appellant vertegenwoordigd door mr. M.M. de Vaal, gemachtigde, en burgemeester en wethouders, vertegenwoordigd door mr. G.P.M. van Tiel, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is als partij gehoord [verzoeker], vertegenwoordigd door mr. M.J. Smaling, gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte, met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht, zelf voorziend de op 6 februari 2001 verleende vergunning heeft geweigerd, nu niet, overeenkomstig artikel 46, derde lid, van de Woningwet, is onderzocht of daarvoor een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening kon worden verleend.
Dit betoog slaagt. De Afdeling stelt vast dat ingevolge artikel 46, derde lid, van de Woningwet, ook beoordeeld had moeten worden of voor het bouwplan een vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van Pro de Wet op de Ruimtelijke Ordening, zoals deze luidt vanaf 3 april 2000, kon worden verleend. Voor het bouwplan zou vrijstelling als bedoeld in het eerste lid van dit artikel kunnen worden verleend, waarvan ter zitting is gebleken dat de bevoegdheid daartoe ligt bij de gemeenteraad van Drimmelen. Deze beoordeling had er niet slechts toe kunnen leiden dat geen vrijstelling zou worden verleend. Onder deze omstandigheden stond het de rechtbank niet vrij om van de bevoegdheid als bedoeld in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht gebruik te maken door zelf voorziend de gevraagde vergunning te weigeren.
2.2. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd voorzover daarbij toepassing is gegeven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Burgemeester en wethouders dienen een nieuw besluit te nemen
2.3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Breda van 10 mei 2002, 01/1508 WW44, voorzover daarbij toepassing is gegeven aan artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht;
III. draagt burgemeester en wethouders van Drimmelen op een nieuw besluit te nemen;
IV. gelast dat de gemeente Drimmelen aan appellant het door hem voor de behandeling van het hoger beroep betaalde griffierecht (€ 165,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. I. Sluiter, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Sluiter
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2002
292.