ECLI:NL:RVS:2002:AF2530
Raad van State
- Hoger beroep
- P. van Dijk
- R.H. Lauwaars
- B. van Wagtendonk
- Rechtspraak.nl
Beoordeling evenredigheid verkeersbegeleidingstarief VBS en vrije dienstenverkeer
De zaak betreft het hoger beroep van de Inspecteur van de Belastingdienst tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam die het beroep van Nedlloyd Lijnen B.V. gegrond had verklaard tegen het verkeersbegeleidingstarief (VBS). De Afdeling heeft prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen over de verenigbaarheid van het VBS met het vrije dienstenverkeer en de evenredigheid van het tarief.
Het Hof van Justitie oordeelde dat het VBS, dat zeeschepen langer dan 41 meter verplicht tot betaling van een vergoeding, gerechtvaardigd is vanwege de openbare veiligheid en dat vrijstelling van andere scheepvaartcategorieën niet in strijd is met het EG-Verdrag mits het tarief evenredig is aan de kosten van de dienst voor de betreffende schepen. De Afdeling heeft vervolgens beoordeeld of het tarief aan deze evenredigheidseis voldoet, met name of kosten van andere scheepvaartcategorieën zijn opgenomen.
De Afdeling concludeert dat geen aanwijzingen zijn dat het tarief kosten bevat die niet aan de zeescheepvaart zijn toe te rekenen en dat de gehanteerde gebruiksverhoudingen voldoende recht doen aan de feitelijke situatie. Ook is vastgesteld dat het tarief niet gericht is op het dekken van een begrotingstekort maar op kosten van individuele dienstverlening. Het hoger beroep van de Inspecteur wordt gegrond verklaard en het beroep van Nedlloyd ongegrond.
De uitspraak bevestigt dat het VBS-tarief voldoet aan de Europese regelgeving en de nationale eisen van evenredigheid en rechtvaardiging, waarmee het vrije verkeer van diensten binnen de EU niet onnodig wordt belemmerd.
Uitkomst: Het hoger beroep van de Inspecteur wordt gegrond verklaard en het beroep van Nedlloyd ongegrond verklaard.