ECLI:NL:RVS:2002:AF2854

Raad van State

Datum uitspraak
31 oktober 2002
Publicatiedatum
4 april 2013
Zaaknummer
200204951/1
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • R.W.L. Loeb
  • B. van Wagtendonk
  • M. Vlasblom
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:68 AwbArt. 161 Sr ServiëArt. 83 Vw 2000Art. 8:54 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake afwijzing verblijfsvergunning asiel

Appellanten hebben bij besluiten van 13 juli 2001 een afwijzing ontvangen op hun aanvragen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Tegen deze besluiten hebben zij beroep ingesteld bij de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, die op 20 augustus 2002 de beroepen ongegrond verklaarde.

Appellanten stelden vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State. Tijdens de procedure werd het onderzoek door de rechtbank heropend op grond van artikel 8:68 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waarbij appellanten werden verzocht informatie te verstrekken over een bepaling uit het Servische Wetboek van Strafrecht. Deze informatie werd niet verstrekt, waarna de rechtbank het onderzoek sloot zonder opnieuw toestemming te vragen aan partijen zoals vereist volgens artikel 8:57 Awb Pro.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat deze gang van zaken niet verenigbaar is met de Awb en vernietigt de uitspraak van de rechtbank. Tevens wordt het beroep bij de rechtbank alsnog ongegrond verklaard, omdat de door appellanten overgelegde stukken niet als nieuwe feiten of omstandigheden kunnen worden aangemerkt. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep bij de rechtbank wordt alsnog ongegrond verklaard.

Uitspraak

Raad
van State
200204951/1.
Uitspraak: 31 oktober 2002
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant 1] en [appellant 2],
appellanten,
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht, van 20 augustus 2002 in het geding tussen:
appellanten
en
de Staatssecretaris van Justitie.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 13 juli 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie aanvragen van appellanten om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Deze besluiten zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 20 augustus 2002, verzonden op 22 augustus 2002, heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht (hierna: de rechtbank), de daartegen door appellanten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 11 september 2002, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 19 september 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ambtshalve overweegt de Afdeling als volgt.
2.2. Ingevolge artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) kan de rechtbank bepalen dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, indien partijen daarvoor toestemming hebben gegeven. In dat geval sluit de rechtbank het onderzoek.
2.3. De rechtbank heeft ter zitting van 21 mei 2002 aan partijen toestemming verzocht om de zaak alsnog met toepassing van voormelde bepaling van de Awb buiten zitting af te doen in geval het onderzoek na de zitting zou worden heropend. Partijen hebben de aldus verzochte toestemming daar verleend. De rechtbank heeft vervolgens het onderzoek op de voet van artikel 8:68 van Pro de Awb heropend en aan appellanten verzocht zich uit te laten over het bepaalde in artikel 161 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Servië en de betekenis van die bepaling voor de beoordeling van het asielrelaas. Ook nadat de rechtbank op hun verzoek de daartoe gestelde termijn heeft verlengd, hebben appellanten de aldus gevraagde informatie niet verschaft. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek zonder een nieuwe behandeling van de zaak ter zitting gesloten. Daarbij is partijen niet opnieuw om toestemming, als bedoeld in voormeld artikel 8:57 van Pro de Awb, verzocht.
Deze gang van zaken verdraagt zich niet met die bepaling.
2.4. Het hoger beroep is gegrond. Hetgeen in het hoger-beroepschrift naar voren is gebracht, behoeft geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, overweegt de Afdeling het volgende.
2.5. Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
2.5.1. Het bepaalde in artikel 83 Vw Pro 2000 ziet op feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen. Appellanten hebben voor het eerst in beroep bij de rechtbank een ongedateerd afschrift van een oproep van een kantongerecht voor een “hoofdonderzoek/hoorzitting” terzake van de overtreding van artikel 161 van Pro het Wetboek van Strafrecht van Servië overlegd. Nu dat geschrift geen origineel is en ongedateerd, kan niet worden vastgesteld dat het niet eerder had kunnen worden overgelegd. Mitsdien kan het niet worden aangemerkt als een feit of omstandigheid, als bedoeld in voormeld artikel 83, zodat het niet kan worden betrokken in de beoordeling van het beroep.
2.6. Nu de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden voor het overige geen aanleiding geven voor een ander oordeel, dan waartoe de rechtbank is gekomen, welk oordeel in hoger beroep niet is bestreden, zal de Afdeling het inleidend beroep alsnog ongegrond verklaren.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Maastricht van 20 augustus 2002 in de zaken nrs. AWB 01/37346 en 01/37352 BEPTDN;
III. verklaart de bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond;
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. M. Vlasblom, Leden,
in tegenwoordigheid van mr. H.W. Groeneweg, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Groeneweg
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2002
32-362.
Verzonden:
Voor eensluidend afschrift
de Secretaris van de Raad van State
voor deze,