200200726/1.
Datum uitspraak: 29 januari 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "ECO-composteerbedrijf B.V.", gevestigd te Veenendaal,
2. [appellant sub 2], wonend te [woonplaats],
het college van gedeputeerde staten van Utrecht,
verweerder.
Bij besluit van 14 januari 2001, kenmerk 2001WEM000583i, heeft verweerder een verzoek om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van appellante sub 1 gedeeltelijk ingewilligd.
Bij besluit van 22 januari 2002, kenmerk 2001WEM00449li, verzonden op 22 januari 2002, heeft verweerder het hiertegen door appellant sub 2 gemaakte bezwaar inzake de in vergunningvoorschrift 2.10.3 genoemde (zuig)beluchtingsinstallatie gegrond verklaard. Tevens besluit hij op dit punt niet tot handhaving te zullen overgaan en over de installatie in overleg te zullen treden met de vergunninghoudster.
Tegen dit besluit hebben appellante sub 1 bij brief van 6 februari 2002, bij de Raad van State ingekomen op 7 februari 2002, en appellant sub 2 bij brief van 5 maart 2002, bij de Raad van State ingekomen op 6 maart 2002, beroep ingesteld.
Bij brief van 25 april 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 januari 2003, waar appellante sub 1, vertegenwoordigd door mr. R.D. Boesveld, advocaat te Arnhem, en mr. M.A.H. de Kok, appellant sub 2, vertegenwoordigd door [gemachtigde] en in persoon en verweerder, vertegenwoordigd door mr. A. van de Werd, ambtenaar van de provincie, zijn verschenen.
2.1. Appellante sub 1 stelt dat vergunningvoorschrift 2.10.3 voorschreef dat voor de opslag van te verkleinen materiaal een (zuig)beluchting aanwezig moest zijn. Zij stelt op 20 juni 1997 met een door verweerder geaccepteerde melding ingevolge artikel 8.19 van de Wet milieubeheer (oud) te hebben afgezien van de plaatsing van de afzuiginstallatie omdat het effect van deze installatie niet zou opwegen tegen het energieverbruik. Appellante is van mening dat voorschrift 2.10.3 geen deel meer uitmaakt van de vergunning.
2.1.1. Verweerder is van mening dat het afzien van de (zuig)beluchtingsinstallatie destijds niet met een melding had kunnen worden afgehandeld omdat uit een nadere beschouwing blijkt dat het niet onaannemelijk is dat de installatie een geringe bijdrage kan leveren aan de reductie van de geuremissie van de inrichting. De consequentie hiervan is, volgens verweerder, dat voorschrift 2.10.3 is blijven gelden.
2.1.2. De Afdeling stelt vast dat deze beroepsgrond uitsluitend betrekking heeft op het feit dat verweerder zich bij het bestreden besluit op het standpunt heeft gesteld dat aan de melding ingevolge artikel 8.19 van de Wet milieubeheer geen betekenis toekomt en dat hij daarom, nu er geen (zuig)beluchtingsinstallatie in de inrichting aanwezig is, in principe bevoegd is handhavend op te treden. Verder moet worden vastgesteld dat verweerder bij het bestreden besluit ervan heeft afgezien om tot handhaving van voorschrift 2.10.3 over te gaan. Het bezwaar van appellante sub 1 richt zich dan ook niet tegen het dictum van het besluit maar tegen de overwegingen daarvan. Bij de beoordeling daarvan heeft appellante sub 1 geen belang. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.
2.2. Appellant sub 2 voert aan dat verweerder er ten onrechte van afziet om vergunningvoorschrift 2.10.3, waarin wordt bepaald dat voor de opslag van te verkleinen materiaal een (zuig)beluchting aanwezig moet zijn, te handhaven.
2.2.1. Verweerder voert aan geen aanleiding te zien om ten aanzien van het ontbreken van de (zuig)beluchtingsinstallatie handhavend op te treden. Hierbij stelt hij dat de installatie slechts een gering effect op de geurbelasting heeft en dat in een thans lopende vergunningprocedure de noodzaak van de aanwezigheid van een dergelijke installatie opnieuw zal worden bezien.
2.2.2. De Afdeling overweegt dat in vergunningvoorschrift 2.10.3 wordt bepaald dat het te verkleinen materiaal continu dient te worden belucht door middel van een zuigbeluchtingsinstallatie. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijkt dat het hierbij enkel gaat om takken en niet om ander te composteren materiaal zoals bermmaaisel en slootbagger. De Afdeling acht het aannemelijk dat de tijdelijke opslag van deze takken, in tegenstelling tot het andere te composteren materiaal, weinig geurhinder zal veroorzaken. Uit de stukken, waaronder door “Project Research Amsterdam B.V.” en “TNO” opgestelde geuronderzoeken en uit het verhandelde ter zitting blijkt tevens dat de in vergunningvoorschrift 2.10.3 voorgeschreven zuigbeluchtingsinstallatie een uit milieuhygiënisch oogpunt verwaarloosbaar gering effect op de reductie van de geurbelasting heeft. Ter zitting is tevens gebleken dat in de inmiddels verleende maar nog niet van kracht geworden revisievergunning de plicht tot het door middel van een zuigbeluchtingsinstallatie beluchten van het te verkleinen materiaal is komen te vervallen.
Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanwezigheid van de volgens voorschrift 2.10.3 vereiste installatie niet afgedwongen behoefde te worden. Deze beroepsgrond treft derhalve geen doel.
2.3. Appellant sub 2 voert aan dat de vergunningvoorschriften 2.6.3.1, 2.6.2.1 en 2.5.2 aangaande de aanvoer van anaëroob materiaal/slootbagger en het niet tijdig composteren van het aangevoerde materiaal worden overtreden. Hij is van mening dat verweerder er ten onrechte van afziet om deze vergunningvoorschriften te handhaven.
2.3.1. Verweerder voert aan de onderhavige inrichting regelmatig te controleren, maar de door appellant gestelde overtredingen nooit te hebben geconstateerd.
2.3.2. De Afdeling is van oordeel dat uit hetgeen appellant sub 2 heeft aangevoerd onvoldoende duidelijk wordt dat het standpunt van verweerder onjuist zou zijn. Gelet hierop kan deze beroepsgrond geen doel treffen.
2.4. De beroepen zijn ongegrond.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd, Voorzitter, en mr. M. Oosting en mr. P.C.E. van Wijmen, Leden, in tegenwoordigheid van G.K. Klap, ambtenaar van Staat.
w.g. Hammerstein-Schoonderwoerd w.g. Klap
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 29 januari 2003