ECLI:NL:RVS:2003:AF3519
Raad van State
- Eerste aanleg - meervoudig
- W.C.E. Hammerstein-Schoonderwoerd
- M. Oosting
- P.C.E. van Wijmen
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroepen tegen handhavingsbesluit zuigbeluchtingsinstallatie ECO-composteerbedrijf
De zaak betreft beroepen tegen besluiten van het college van gedeputeerde staten van Utrecht inzake de handhaving van vergunningvoorschrift 2.10.3, dat voorschrijft dat voor de opslag van te verkleinen materiaal een zuigbeluchtingsinstallatie aanwezig moet zijn. Appellante sub 1 stelde dat zij met een melding op grond van artikel 8.19 van de Wet milieubeheer had afgezien van de installatie en dat het voorschrift niet meer deel uitmaakte van de vergunning. Verweerder stelde dat het voorschrift bleef gelden omdat het effect van de installatie op geurreductie niet onaannemelijk was.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellante sub 1 geen belang had bij haar beroepsgrond omdat verweerder in het bestreden besluit had afgezien van handhaving. Appellant sub 2 voerde aan dat verweerder ten onrechte niet handhavend optrad tegen het ontbreken van de installatie, maar de Afdeling stelde vast dat de installatie een verwaarloosbaar gering effect heeft op geurreductie en dat in een lopende vergunningprocedure de noodzaak opnieuw wordt bezien.
Daarnaast voerde appellant sub 2 overtredingen aan van andere vergunningvoorschriften, maar verweerder had deze niet vastgesteld en de Afdeling vond onvoldoende bewijs voor het standpunt van appellant. De beroepen werden ongegrond verklaard en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De beroepen tegen het besluit tot niet-handhaving van de zuigbeluchtingsinstallatie worden ongegrond verklaard.