AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Vernietiging weigering bouwvergunning antennemast wegens strijd met zorgvuldigheidsbeginsel
Het college van burgemeester en wethouders van Werkendam weigerde op 2 februari 2001 een bouwvergunning voor het plaatsen van een antennemast van 16 meter op een perceel met de bestemming woondoeleinden. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze weigering ongegrond. Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State overwoog dat het bouwplan in strijd was met het bestemmingsplan, waardoor de vergunning geweigerd kon worden. Echter, de weigering vormde een inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting zoals beschermd door artikel 10 EVRMPro. De Afdeling oordeelde dat het college zich niet mocht baseren op een voorlopig negatief advies van de welstandscommissie en dat de mast lager zou zijn dan de bestaande mast zonder klachten van omwonenden.
Daarom was de beslissing op bezwaar niet zorgvuldig gemotiveerd en in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank en het besluit van het college, en droeg het college op een nieuw besluit te nemen. Tevens werd het college veroordeeld in de proceskosten en tot vergoeding van griffierechten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot weigering van de bouwvergunning vernietigd.
Uitspraak
200204666/1.
Datum uitspraak: 5 februari 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellant], wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te Breda van 8 juli 2002 in het geding tussen:
appellant
en
het college van burgemeester en wethouders van Werkendam.
1. Procesverloop
Bij besluit van 2 februari 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Werkendam (hierna: het college) met toepassing van artikel 19 vanPro de Wet op de Ruimtelijke Ordening vrijstelling en bouwvergunning geweigerd voor het plaatsen van een antennemast met een hoogte van 16 meter op het perceel [locatie] (hierna: het perceel).
Bij besluit van 25 juni 2001 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 8 juli 2002, verzonden op 15 juli 2002, heeft de rechtbank te Breda (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief van 26 augustus 2002, bij de Raad van State ingekomen op 28 augustus 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 25 september 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 8 november 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 14 januari 2003, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. M.A. de Boer, gemachtigde, is verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het bouwplan strekt tot het vervangen van de huidige mast en antenne door een antennemast van circa 16 meter.
2.2. Ingevolge het ten tijde van de beslissing op bezwaar ter plaatse geldende bestemmingsplan “Jachtsloot en omgeving” rustte op het perceel de bestemming “Woondoeleinden”.
Ingevolge artikel II.1, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, zijn gronden, aangewezen voor woondoeleinden, bestemd voor één- en meergezinshuizen met bijbehorende bijgebouwen, waaronder mede begrepen aanbouwen en uitbreidingen van de woning, bouwwerken, geen gebouw zijnde, tuinen en erven.
Ingevolge artikel II.1, lid A, sub I, aanhef en onder d, van de planvoorschriften, voor zover hier van belang, mogen op de tot woondoeleinden bestemde gronden uitsluitend worden gebouwd één- en meergezinshuizen, met bijbehorende bijgebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, met dien verstande dat de hoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste 3 m bedraagt.
2.3. Het bouwplan is in strijd met het bestemmingsplan, zodat de bouwvergunning op grond van artikel 44, aanhef en onder c, van de Woningwet zou moeten worden geweigerd.
2.4. Appellant betoogt dat de rechtbank heeft miskend dat het bestreden besluit inbreuk maakt op de vrijheden die hem uit hoofde van het eerste lid van artikel 10 vanPro het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) toekomen en hem niet op grond van het tweede lid kunnen worden ontnomen.
2.5. In artikel 94 vanPro de Grondwet is bepaald dat binnen het Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing vinden, indien deze toepassing niet verenigbaar is met een ieder verbindende bepalingen van verdragen en van besluiten van volkenrechtelijke organisaties.
Ingevolge artikel 10 vanPro het EVRM, voor zover hier van belang, heeft een ieder recht op vrijheid van meningsuiting. Dit recht omvat de vrijheid een mening te koesteren en de vrijheid om inlichtingen of denkbeelden te ontvangen of te verstrekken, zonder inmenging van enig openbaar gezag en ongeacht grenzen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat, daar de uitoefening van deze vrijheden plichten en verantwoordelijkheden met zich brengt, zij kan worden onderworpen aan bepaalde formaliteiten, voorwaarden, beperkingen of sancties, die bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van de nationale veiligheid, territoriale integriteit of openbare veiligheid, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid en de goede zeden, de bescherming van de goede naam of de rechten van anderen, om de verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen of om het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht te waarborgen. Artikel 10 vanPro het EVRM is een ieder verbindende bepaling als bedoeld in artikel 94 inPro samenhang met artikel 93 vanPro de Grondwet.
2.6. Niet in geschil is dat de weigering van de gevraagde vergunning inmenging in het recht op vrijheid van meningsuiting oplevert. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (bijvoorbeeld in haar uitspraak van 22 juni 1994, AB 1995/260), dient vervolgens te worden beoordeeld of de weigering van de bouwvergunning noodzakelijk kan worden geacht ter bescherming van de rechten van anderen, als bedoeld in artikel 10, tweede lid, van het EVRM. Daarbij is van belang of de plaatsing van de mast onevenredig bezwarend is voor omwonenden. Voor zover het college zich op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan stedenbouwkundig niet aanvaardbaar is op de beoogde plaats en dat de welstandscommissie niet positief tegenover het bouwplan staat, overweegt de Afdeling dat uit de stukken is gebleken dat de welstandscommissie op 15 januari 2001 het advies heeft aangehouden omdat de voorgelegde informatie ontoereikend was en slechts een voorlopig oordeel over het bouwplan heeft gegeven. Naar het oordeel van de Afdeling heeft het college zich niet op dit voorlopig oordeel van de welstandscommissie kunnen baseren. De huidige mast is in 1987 opgericht en het gebruik daarvan door appellant heeft niet tot klachten van omwonenden geleid. Voorts is de geplande mast zestien meter hoog en derhalve twee meter lager dan de huidige mast die een totale hoogte van achttien meter heeft. Gelet daarop kan de vraag of het bouwplan stedenbouwkundig aanvaardbaar is op de beoogde plaats en of de antennemast onevenredig bezwarend is voor de omwonenden naar het oordeel van de Afdeling niet zonder meer bevestigd beantwoord worden. Uit het voorgaande volgt dat de beslissing op bezwaar is genomen in strijd met de vereiste zorgvuldigheid en niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering. Dit besluit is dan ook genomen in strijd met artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 vanPro de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank heeft dit miskend.
2.7. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep alsnog gegrond verklaren. De beslissing op bezwaar komt eveneens voor vernietiging in aanmerking. Het college dient een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.
2.8. Het college dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank te Breda van 8 juli 2002, 01/1343 WW44;
III. verklaart het bij de rechtbank ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Werkendam van 25 juni 2001, BB/FS 4323;
V. draagt het college van burgemeester en wethouders van Werkendam op met inachtneming van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen;
VI. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Werkendam in de door appellant in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 1288,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de gemeente Werkendam te worden betaald aan appellant;
VII. gelast dat de gemeente Werkendam aan appellant het door hem voor de behandeling van het beroep bij de rechtbank en het hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 267,10 (€ 102,10 + € 165,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. C.E.C.M. van Roosmalen, ambtenaar van Staat.