AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging handhaving dwangsommen voor illegale dakkapellen ondanks bezwaren appellanten
Appellanten hadden dakkapellen aan de voor- en achterzijde van hun woning geplaatst die afweken van de verleende bouwvergunning. Het college van burgemeester en wethouders van Veghel legde dwangsommen op om deze in overeenstemming te brengen met de vergunning.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond en oordeelde dat de afwijkingen niet konden worden beschouwd als niet-ingrijpende veranderingen waarvoor geen vergunning nodig is. Ook kon geen legalisering plaatsvinden vanwege het negatieve welstandsadvies en het ontbreken van een geldige melding.
De Raad van State bevestigt deze uitspraak en oordeelt dat het college bevoegd was tot handhaving. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die handhavend optreden in de weg staan. Een proceskostenveroordeling wordt niet toegewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitspraak
200205286/1.
Datum uitspraak: 19 februari 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
[appellanten], beiden wonend te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 22 augustus 2002 in het geding tussen:
appellanten
en
het college van burgemeester en wethouders van Veghel.
1. Procesverloop
Bij besluit van 27 maart 2001 heeft het college van burgemeester en wethouders van Veghel (hierna: het college) appellanten onder oplegging van dwangsommen gelast om de aan de voor- en achterzijde van de woning
[locatie] te [plaats] geplaatste dakkapellen uiterlijk 1 juli 2001 in overeenstemming te brengen met de hen op 11 januari 2000 verleende bouwvergunning.
Bij besluit van 3 juli 2001 heeft het college het daartegen gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de datum waarop aan de lastgeving dient te zijn voldaan vastgesteld op 1 augustus 2001. De overige bezwaren zijn ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 22 augustus 2002, verzonden op 23 augustus 2002, heeft de rechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 1 oktober 2002, bij de Raad van State ingekomen op 2 oktober 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 31 oktober 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 21 november 2002 heeft het college een memorie van antwoord ingediend.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 februari 2003, waar appellanten, vertegenwoordigd door mr. T.I.P. Jeltema, advocaat te Veldhoven, en het college, vertegenwoordigd door mr. L.A. Muller, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. De rechtbank is op goede gronden tot het juiste oordeel gekomen dat appellanten de dakkapel aan de voorzijde en de dakkapel aan achterzijde van hun woning in afwijking van de verleende bouwvergunning hebben gerealiseerd.
2.2. Aan de stelling van appellanten dat de nieuwe dakkapel aan de voorzijde van de woning niet wezenlijk verschilt van de oude komt geen betekenis toe, nu slechts aan de orde is de vraag of conform de tekening die behoort bij de verleende bouwvergunning is gebouwd.
2.3. Anders dan appellanten in hoger beroep hebben betoogd is de rechtbank tot het juiste oordeel gekomen dat de afwijking van de dakkapel aan de voorzijde van de woning ten opzichte van de verleende bouwvergunning niet kan worden gekwalificeerd als een verandering van niet-ingrijpende aard in de zin van artikel 43, eerste lid, van de Woningwet (hierna: Ww), waarvoor geen bouwvergunning is vereist.
2.4. Het college was derhalve in beginsel bevoegd appellanten onder oplegging van dwangsommen te gelasten om de gerealiseerde dakkapellen aan de voor- en achterzijde van de woning [locatie] in overeenstemming te brengen met de verleende bouwvergunning.
2.5. Alleen in bijzondere gevallen kan van het bestuursorgaan worden verlangd dat het afziet van handhavend optreden tegen de illegale situatie. Bij beantwoording van de vraag of daarvan sprake is, is onder meer van belang of tot legalisering kan worden overgegaan.
2.6. De rechtbank is tot het juiste oordeel gekomen dat het college op goede gronden heeft overwogen dat de gerealiseerde dakkapellen niet kunnen worden gelegaliseerd omdat zij niet voldoen aan redelijke eisen van welstand.
Niet is gebleken dat het negatieve welstandsadvies over de gerealiseerde dakkapellen naar inhoud of wijze van totstandkoming zodanige gebreken vertoont dat het college het niet aan zijn oordeel omtrent de welstand ten grondslag had mogen leggen.
Voorts is de rechtbank, anders dan appellanten hebben betoogd, tot het juiste oordeel gekomen dat de dakkapel aan de achterzijde van de woning niet door middel van een melding als bedoeld in artikel 42 vanPro de Ww kan worden gelegaliseerd.
2.7. De rechtbank heeft dan ook terecht geen grond gevonden voor het oordeel dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid tot handhaving van de opgelegde last heeft kunnen besluiten.
2.8. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
2.9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. T.M.A. Claessens, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. G.A.A.M. Boot, ambtenaar van Staat.