AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Bevestiging weigering bouwvergunning voor kantoorgebouw binnen bestemming Nutsbedrijven
De besloten vennootschap Archon B.V. heeft bij het college van burgemeester en wethouders van Gouda bouwvergunningen aangevraagd voor het veranderen en vergroten van een transformatorgebouw met schaftlokaal tot een kantoorgebouw. Het college heeft deze vergunningen geweigerd, waarna de rechtbank deze weigering heeft bevestigd. Archon B.V. ging in hoger beroep bij de Raad van State.
Het hoger beroep richt zich op de tweede bouwaanvraag, die na de wijziging van de Wet op de Ruimtelijke Ordening is ingediend. Volgens het geldende bestemmingsplan “Nieuwe Park e.o.” is het perceel bestemd voor Nutsbedrijven, waarbij alleen gebouwen ten behoeve van bedrijven ten dienste van het openbaar nut zijn toegestaan. Kantoren zijn niet opgenomen in de doeleindenomschrijving van deze bestemming.
Archon B.V. stelde dat het college ten onrechte heeft geoordeeld dat een kantoorgebouw niet binnen de bestemming past, en dat het college onterecht geen vrijstelling heeft verleend op grond van artikel 19 WROPro. De Raad van State oordeelt dat het college terecht heeft vastgesteld dat kantoren niet binnen de bestemming vallen en dat het weigeren van de vrijstelling gerechtvaardigd is vanwege de belangen van de herontwikkeling van het gebied. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De Raad van State bevestigt de afwijzing van de bouwvergunning voor het kantoorgebouw binnen de bestemming Nutsbedrijven.
Uitspraak
200202847/1.
Datum uitspraak: 26 februari 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de besloten vennootschap Archon B.V., gevestigd te Maarsbergen,
appellante,
tegen de uitspraak van de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage van 15 april 2002 in het geding tussen:
appellante
en
het college van burgemeester en wethouders van Gouda.
1. Procesverloop
Bij besluiten van 25 juli 2000 en 15 augustus 2000 heeft het college van burgemeester en wethouders van Gouda (hierna: het college) geweigerd aan appellante bouwvergunning te verlenen voor het veranderen en vergroten van een transformatorgebouw met schaftlokaal in een kantoorgebouw op het perceel Kanaalstraat 1a te Gouda (hierna: het perceel), onderscheidenlijk voor dat bouwplan ten behoeve van bedrijven ten dienste van het openbaar nut.
Bij afzonderlijke besluiten van 24 april 2001 heeft het college de bezwaren van appellante tegen deze besluiten ongegrond verklaard. De besluiten van 24 april 2001 en de adviezen van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften, waarnaar in die besluiten wordt verwezen, zijn aangehecht.
Bij uitspraak van 15 april 2002, verzonden op 16 april 2002, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het door appellante tegen die besluiten ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 28 mei 2002, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 25 juni 2002. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 18 juli 2002 heeft het college van antwoord gediend.
Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellante. Deze stukken zijn aan de andere partij toegezonden.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 december 2002, waar appellante, vertegenwoordigd door haar [directeuren], bijgestaan door mr. H. Braak advocaat te Veenendaal, en het college, vertegenwoordigd door F.A. Bottenberg, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Het hoger beroep heeft alleen betrekking op de afwijzing van de tweede bouwaanvraag, die bij de gemeente Gouda is binnengekomen ná de inwerkingtreding op 3 april 2000 van de gewijzigde Wet op Ruimtelijke Ordening (hierna: de WRO).
2.2. Ingevolge het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Nieuwe Park e.o.” rust op het perceel de bestemming “Nutsbedrijven (Bn)”.
Ingevolge artikel 21 vanPro de planvoorschriften, voorzover thans van belang, zijn gronden met deze bestemming bestemd voor gebouwen ten behoeve van bedrijven ten dienste van het openbare nut, de daarbij behorende bouwwerken - geen gebouwen zijnde - en onbebouwde gronden.
2.3. Appellante betoogt primair dat de rechtbank heeft miskend dat het college zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat een kantoorgebouw voor een openbaar nutsbedrijf niet binnen de bestemming “Nutsbedrijven (Bn)” past. Dit betoog faalt. In de doeleindenomschrijvingen van meerdere andere in het bestemmingsplan opgenomen bestemmingen staat dat de aangewezen gronden mede zijn bestemd voor kantoren. Terecht heeft het college daaruit afgeleid dat kantoren niet mede tot de bestemming behoren, indien dat niet in de bijbehorende doeleindenomschrijving staat. Dit sluit aan bij de toelichting bij het bestemmingsplan, waaruit valt op te maken dat het de bedoeling van de planwetgever is geweest binnen deze bestemming alleen de aanwezige bouwwerken toe te laten. Ook de tweede bouwaanvraag past dus niet binnen deze bestemming. Dat die volgens appellante achterhaald is, noopt niet tot een ander oordeel. Het is aan de planwetgever om, indien daartoe aanleiding bestaat, het bestemmingsplan te actualiseren.
2.4. Subsidiair betoogt appellante dat de rechtbank heeft miskend dat het college ten onrechte niet krachtens artikel 19 vanPro de WRO vrijstelling heeft verleend. Dit betoog faalt evenzeer. Het college heeft aan de weigering ten grondslag gelegd dat de realisering van het bouwplan de herontwikkeling van het betrokken gebied, zoals voorzien in de door de woningstichting “Het Volksbelang” in juli 1999 opgestelde schetsstudie, zou doorkruisen en dat het belang van die herontwikkeling zwaarder weegt dan dat van de realisering van het bouwplan van appellante. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het college die schetsstudie ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar niet als uitgangspunt voor de nagestreefde ruimtelijke ontwikkeling heeft mogen hanteren. En evenmin kan staande worden gehouden dat het niet in redelijkheid daaraan vast heeft kunnen houden.
2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. B.J. van Ettekoven, Leden, in tegenwoordigheid van mr. D. Haan, ambtenaar van Staat.